top of page

Amistad

  • 2 dagen geleden
  • 6 minuten om te lezen

Amistad vertelt het waargebeurde verhaal van de opstand van de Afrikanen in 1839 op het slavenschip La Amistad.



Ze overmeesteren de bemanning en dwingen de stuurman koers te zetten naar Afrika.

Ze worden echter misleid en komen aan in de Verenigde Staten.

Hier worden ze ingerekend door de kustwacht en gevangengezet.

Een rechtszaak volgt en uiteindelijk worden de Afrikanen vrijgelaten en teruggebracht naar Sierra Leone.

La Amistad (Spaans voor De Vriendschap) was een Spaans illegaal slavenschip waarop in 1839 een opstand uitbrak.

Deze opstand zou bekend worden als de Amistadopstand.

La Amistad werd in Baltimore gebouwd maar droeg toen nog de naam Friendship.

Na de verkoop aan een Spaanse handelaar werd deze omgedoopt tot La Amistad.

In 1839 kwamen tijdens een slaventransport van Havana naar Puerto Principe de slaven die op het schip vervoerd werden in opstand.

De revolte werd beëindigd doordat de Amerikaanse marine het schip enterde voor de kust van Long Island.

Na de opstand werd het schip ondergebracht op een werf in New London in Connecticut.

Na een veiling werd het schip omgedoopt tot Ion en geregistreerd in Newport in Rhode Island.

De Ion werd ingezet als handelsschip.

In 1844 werd het schip verkocht in Guadeloupe.

Wat er daarna met het schip is gebeurd is onbekend.

In 2000 werd in de haven van Mystic (Connecticut) een replica van La Amistad gedoopt met de naam Amistad en de bijnaam Freedom Schooner.

De Amistad heeft New Haven (Connecticut) als thuishaven.

Het schip wordt tegenwoordig gebruikt om voorlichting te geven over slavernij en rassendiscriminatie.


Een slavenschip was een vrachtschip dat was omgebouwd voor het transport van slaven, vooral voor de handel van Afrikaanse slaven naar het Amerikaanse continent.

De belangrijkste routes die deze schepen voeren waren van West en Centraal-Afrika naar Zuid-Amerika.

De schepen speelden dus bijgevolg een cruciale rol in de trans-Atlantische slavenhandel die deel uitmaakte van de driehoekshandel.

Eerst voeren de schepen naar Afrikaanse westkust om de slaven te kopen, vervolgens vertrok men naar de slavendepots in het Caribisch gebied.

Daar werd de lading omgewisseld voor een vracht tafelsuiker of een ander handelsgewas dat naar het vaderland werd vervoerd.

De routes die de schepen voeren sloten aan op de windrichting (passaten) van de Atlantische Oceaan. Ongeveer 11-14 miljoen Afrikanen zijn zo getransporteerd.

Bij de Arabische slavenhandel speelden slavenschepen een meer ondergeschikte rol.

Veel slaven werden in kolonnes door de Sahara getransporteerd.

Voor het transport van slaven over zee werd gebruik gemaakt van zogenaamde dhows.

De leefomstandigheden voor de Afrikanen aan boord van deze schepen waren slecht.

De kapitein en bemanning behandelden de slaven als vracht.

Tijdens de overtocht van Afrika naar Amerika stierf gemiddeld 15-30% van de slaven waarbij 75% sterfte ook is voorgekomen.

Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat een rederij geen belang had bij (te) hoge sterftecijfers; de mensen waren immers winstgevende handelswaar.

De oversteek duurde zes weken, maar een schip haalde zijn slaven vaak op meerdere plekken langs de Afrikaanse kust waardoor de reistijd voor sommige slaven langer duurde.

Nadat de Afrikanen op de plaats van verkoop waren beland stierf gemiddeld nog zo'n 10% ten gevolge van ziekte en verzwakking.

De slaven werden aan boord met velen "opgeslagen" in het laadruim waardoor ziekten welig konden tieren. Eén schip kon tot meer dan 800 slaven herbergen.

Er was niet veel ruimte meer over voor proviand.

Hierdoor was er soms weinig te eten en drinken voor de slaven.

Bij een reis in 1781 van het slavenschip Zorg werden vanwege watertekort 142 slaven in zee geworpen.

In 1788 voerden de Britten mede door deze ramp wetgeving in na om het maximaal toegestane aantal slaven te reguleren afhankelijk van het tonnage.

Het deed zich ook voor dat, als het schip schipbreuk leed, de geketende Afrikanen mee vergingen.

Op veel slavenschepen ging een zogenaamde Bomba mee.

Dit was een Afrikaanse opzichter die er voor diende te zorgen dat de slaven rustig bleven.

Hij moest opstanden zo vroeg mogelijk opmerken zodat die op tijd gesmoord konden worden.

Soms kwamen slaven toch in opstand.

Aan boord van Nederlandse slavenschepen hebben zich zo'n 300 geregistreerde opstanden voorgedaan, waarvan vier grote.

Deze opstanden zijn altijd neergeslagen op één keer na.

De opstand op de Vigilante in 1780 is (voor zover bekend) de enige opstand geweest op een Nederlands slavenschip waarbij het slaven lukte de macht over te nemen.

Een bekende opstand is de Amistadopstand aan boord van het illegale Spaanse slavenschip La Amistad in 1839, waarover in 1841 een rechtszaak was, over de opstand en het vervolg is in 1997 een film gemaakt, en van het schip is in 2000 een replica gebouwd.

De Engelsen schaften de slavenhandel af in 1807 en Nederland in 1814.

Het kwam wel nog voor dat er illegale slavenhandel werd gedreven met slavenschepen, die zeer compact werden gebouwd om vijandelijke schepen te ontvluchten, nog meer ten nadele van de slaven.

Naar de zuidoostkust van midden Noord-Amerika voeren tot 1861 de Zuidelijke Verenigde Staten en daarna tot 1865 de Geconfedereerde Staten van Amerika met slavenschepen, tevens werden er met schepen onder de vlag van andere landen slaventransporten naar de oost- en zuidkust van deze regio uitgevoerd.

De slavernij werd Verenigde Staten pas in het hele land afgeschaft na de Amerikaanse Burgeroorlog na de overwinning van de Unie op de Confederatie met het Dertiende amendement van de Grondwet dat op 18 december 1865 in werking trad, daarmee kwam er ook een einde aan de legale ontvangst van slaventransporten per schip in de regio.



Tecora was een Portugees slavenschip uit het begin van de 19e eeuw.

De brigantijn was speciaal gebouwd voor de slavenhandel, hoewel het vervoer van mensen als slaven over de Atlantische Oceaan al in het eerste decennium van de 19e eeuw door verschillende landen in internationale verdragen was verboden.

Ze was snel en wendbaar om Britse patrouilles te ontwijken die probeerden dergelijke illegale slavenschepen voor de kust van Afrika tegen te houden.

In 1839 werd een groep Afrikanen ontvoerd uit Mendiland (in het huidige Sierra Leone) en vervoerd naar de Afrikaanse slavenhaven Lomboko.

Daar kocht een slavenhandelaar ongeveer 500 Afrikanen en vervoerde ze aan boord van de Tecora naar Havana, Cuba.



De gevangenen werden ontkleed, in groepen van vijf aan elkaar geketend en dicht op elkaar gepakt in het slavenruim (een dek onder het hoofddek en boven het vrachtruim), zodat het hoofd van de ene persoon, wanneer ze in rijen lagen, op de dij van een andere persoon werd gedrukt.

In het donkere ruim van het schip had elke slaaf tijdens de tien weken durende reis slechts 1 meter stahoogte. De gevangenen werden soms naar het dek gebracht en kregen rijst te eten.

Degenen die probeerden zichzelf uit te hongeren, wat vaak gebeurde, werden gegeseld en gedwongen te eten.

Tijdens de reis op zee raakten de watervoorraden op en verspreidden ziekten zich over het dichtbevolkte, slecht geventileerde slavendek.

Wanneer de voorraden schaars waren, ketende de bemanning 30 tot 40 slaven aan elkaar, bevestigde een zwaar gewicht aan het uiteinde en gooide het gewicht overboord.

Dit trok de kettingen en de slaven onder water, waardoor ze verdronken.

Bijna een derde van de slaven stierf tijdens de lange reis aan ziekte, ondervoeding en mishandelingen.

Omdat het importeren van slaven naar het door Spanje gecontroleerde Cuba illegaal was, smokkelden de slavenhandelaren de gevangen Afrikanen 's nachts in kleine bootjes aan land.

Ze zetten hen af ​​in een kleine inham op een paar kilometer van Havana.

Eenmaal aan land werden de slaven in een barak, ofwel een "slavenverblijf", geplaatst.

Volgens de Spaanse wetgeving waren de Afrikanen, toen ze eind juni in Cuba aankwamen, wettelijk vrij.

Maar ze werden op frauduleuze wijze als in Cuba geboren slaven geregistreerd, zodat ze konden worden gescheiden en verkocht.

Twee Spaanse plantagehouders, José Ruiz en Pedro Montes, kochten 53 van de overgebleven Afrikanen: 49 mannen, een jongen en drie meisjes.

Ruiz en Montes laadden hun lading en de slaven aan boord van de schoener La Amistad en zetten koers naar hun plantage in Puerto del Príncipe, Cuba.

Tijdens de reis kwamen de slaven in opstand en vermoordden de bemanning, waarbij Ruiz en Montes werden gespaard in de hoop hun voormalige gevangennemers te dwingen hen terug te sturen naar Afrika.

In plaats daarvan voeren de Spanjaarden 's nachts langs de kust van de Verenigde Staten, waar ze voor de kust van Long Island werden onderschept door een Amerikaanse patrouilleboot.

De Mende werden als muiters gevangengezet in New London, Connecticut.

Na een langdurige juridische strijd die het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten bereikte, kregen de Afrikanen, vertegenwoordigd door Amerikaanse abolitionistische advocaten (waaronder voormalig president John Quincy Adams), in 1841 hun vrijheid.

Zo'n 35 overlevenden kozen ervoor om terug te keren naar Afrika, en hun reis in 1842 werd betaald met privégeld dat door verschillende bronnen was ingezameld, waaronder een zwarte religieuze organisatie uit Brooklyn, New York.

Ze werden vergezeld door een missionaris en James Covey, een Afrikaanse negroide matroos in de Britse marine die als Mende-tolk had gediend en in vrijheid leefde.



 
 
 

Opmerkingen


Uitgelichte berichten
Recente berichten
Archief
Zoeken op tags
Volg ons
  • Facebook Basic Square
  • Twitter Basic Square
  • Google+ Basic Square
bottom of page