top of page

Antisemitisme

Antisemitisme of Jodenhaat is de discriminatie en racistische behandeling van Joden op basis van hun etniciteit of religie.

Joden hebben in de geschiedenis dikwijls te maken gehad met vijandigheid en haat, variërend van discriminerende overheidsmaatregelen tot georganiseerde moordpartijen, zoals tijdens pogroms en de Holocaust.

Hoewel het woord 'antisemitisme' letterlijk staat voor haat jegens alle semieten (sprekers van Semitische talen, onder wie ook Arabieren), wordt het uitsluitend gebruikt in de betekenis van Jodenhaat.

Naast 'antisemitisme' wordt soms ook de term anti-judaïsme gebruikt, dat duidt op anti-joodse gevoelens op religieuze grondslag.

De term 'antisemitisme' is voor het eerst gedocumenteerd in 1860 bij de joodse oriëntalist Moritz Steinschneider.

Hij gebruikte het woord in een kort stuk waarin hij zijn steun uitsprak voor een artikel van Heymann Steinthal, die zich kritisch had uitgelaten over een werk van de Franse linguist Ernest Renan.

Renan had Semieten beschreven als volkeren met een neiging tot monotheïsme, voortvloeiend uit gewelddadige en zelfzuchtige instincten.

Steinthal en Steinschneider bestreden deze Renaniaanse conceptie van volksinstincten omdat ze onmiddellijk het gevaar ervan onderkenden: het essentialisme ervan zou toelaten om Semieten weg te zetten als radicaal en onverbeterbaar anders.

Tussen 1870 en 1880 ging Wilhelm Marr de term gebruiken voor een openlijk anti-Joodse campagne, onder andere in zijn Antisemitische Hefte uit 1879.

Het overnemen van de wetenschappelijk klinkende term "Semiet" moest zijn onderneming objectiever doen lijken, maar hij liet er niet de minste twijfel over bestaan dat zijn eigenlijke doelwit de Joden waren.

In die tijd waren de Joden het enige Semitische volk dat prominent in Europa leefde.

Van bij het begin werd "antisemitisme" dus vereenzelvigd met "anti-Joods".

Het verschijnsel zelf is echter veel ouder dan de 19e eeuw.

Sinds de jaren zestig spreken verdedigers van Israël, joodse- en christelijke zionisten, over het zogenoemde ‘nieuw antisemitisme’.

Kritiek op Israël wordt hierbij gelijkgesteld aan antisemitisme.

Discussie over het begrip nieuw antisemitisme ontstaat, omdat er onenigheid is of dit al dan niet een vorm van antizionisme is.

In 2005 publiceerde het Europees Bureau voor de grondrechten een werkdefinitie van antisemitisme, die de basis vormde voor de in 2016 door de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA) aangenomen 'Werkdefinitie Antisemitisme.

Vertaald luidt deze werkdefinitie als volgt:

Antisemitisme is een bepaald beeld van Joden dat tot uiting kan komen als haat jegens Joden. Mondelinge en fysieke uitingen van antisemitisme zijn gericht tegen Joden of niet-Joodse personen en/of hun bezittingen, tegen instellingen van de Joodse gemeenschap en tegen Joodse religieuze voorzieningen.

Deze niet-bindende werkdefinitie is aangenomen door de 31 landen die lid zijn van de IHRA, waaronder Nederland en België.

Aansluitend bij de tekst worden 11 “hedendaagse voorbeelden van antisemitisme” beschreven, waarvan ruim de helft betrekking heeft op de staat Israël.

Over deze definitie en voorbeelden bestaat controverse.

Met name is controversieel dat kritiek op de staat Israël die overeenkomt met die op enig ander land als antisemitisch kan worden worden aangeduid.

De Britse Labour Party onderschreef op 4 september 2018 deze IHRA-definitie, “met de toevoeging dat het mogelijk moet blijven de Israëlische staat op ‘een niet-racistische manier’ te hekelen”.

Antisemitisme kan voortkomen uit verschillende ideologieën, zoals fundamentalistisch christendom, islam, nationalisme, racisme, nationaalsocialisme en fascisme, waarbij Joden of het jodendom als religie als tegenstander, vijand of verwerpelijke religie gezien worden (bijvoorbeeld als vijand van Christus of Allah, vreemdeling, kapitalist, communist enzovoorts).

Antisemitisme is niet in alle gevallen een bewust gekozen politiek of religieus standpunt, maar kan ook voortkomen uit vooroordelen of denkfouten (denkfout fallacia consequentis). Zo "concludeerde" de 19e-eeuwse Duitse componist Richard Wagner, die een fervent antisemiet was, dat wanneer hij iemand niet mocht, diegene dan "dus" een Jood moest zijn of toch anders mínstens diens móeder een Jodin was.

Dit neemt niet weg dat Wagner uitvoeringen van eerste producties van nieuwe opera composities uitgerekend aan Joodse dirigenten toevertrouwde: een van de vele paradoxen in de levensgeschiedenis van de componist.

Volgens sommigen hangen antisemieten ook nogal eens allerlei complottheorieën aan, waarin dan aan Joden een veelal verborgen bepalende rol in "het wereldgebeuren" wordt toegedicht, of een streven naar wereldoverheersing.

Vaak wordt daarbij geen onderscheid gemaakt tussen bijvoorbeeld Joden (als volk) en joden (als aanhangers van een religie) en bijvoorbeeld ook tussen Joden, het zionisme en de regering van Israël.

Volgens Michel Houellebecq is het antisemitisme niets anders dan een complottheorie.

Een aantal gebeurtenissen in de wereld wordt op basis van vermeende indirecte bewijzen op negatieve wijze aan Joden of aan de staat Israël toegeschreven (de Jood of het Jodendom als zondebok), van de Russische revolutie tot de aanslag op de Twin Towers in New York op 11 september 2001.

Sentimenten van haat en afkeer jegens Joden, als vreemde minderheid, treden sinds de Oudheid in telkens andere vormen weer op.

Keizer Tiberius verbande de Joden uit de stad Rome.

Vanaf het jaar 1096, aan het begin van de Eerste Kruistocht, de zogenaamde Duitse Kruistocht, toen in Duitsland in verschillende steden Joodse gemeenschappen werden uitgemoord door de boerenbevolking, is het een herhaaldelijk terugkerend verschijnsel in de geschiedenis.

Eeuwenlang droegen de reacties op Joden een overwegend religieus karakter.

Later viel de meeste nadruk op de economische trekken een voorbeeld van economische antisemitische maatregelen is het feit dat Joden in Nederland geen lid mochten zijn van de gilden, waardoor zij niet werden toegelaten in veel beroepen behorende tot de middenstand.

Veel Joden zochten hun toevlucht tot beroepen die hun niet geweigerd werden, zoals ambulante handel, diamantslijperijen, financiële dienstverlening en handel/verhuur van vastgoed.

Vooral de financiële dienstverlening (het uitlenen van geld) en de verhuur van woningen leidde tot het vooroordeel dat Joden gierig en op geld belust zouden zijn.

Joden worden afgeschilderd als perverse mensen die zich te goed zouden voelen voor handenarbeid en het economisch beter zouden hebben.

In het Europese rechtssysteem golden Joden als vreemdelingen.

Zij werden achtergesteld en zwaarder gestraft dan christenen.

Opmerkelijk was het gebruik om Joden "met honden te hangen".

Men hing een ter dood veroordeelde Jood omgekeerd aan de galg met naast hem twee honden.

Wanneer het slachtoffer zich alsnog tot het christendom bekeerde werd hij van de galg losgemaakt en, na een snelle doop en andere religieuze formaliteiten, onthoofd.

Later uitte Jodenhaat zich vooral als een sociaal verschijnsel en tegen het einde van de 19e eeuw ontstond er zelfs een zogenaamd biologische motivering.

Wanneer reacties op Joden een overwegend religieus karakter hebben, wordt er gesproken van anti-judaïsme.

Dit anti-judaïsme wordt door sommigen als niet-antisemitisch gezien, maar anderen zien het als dekmantel voor antisemitisme.

Slechts op het ogenblik dat vanuit het sociaal darwinisme Jodendom als een ras en niet langer als religie werd beschouwd, werd anti-judaïsme antisemitisme.

Het begrip antisemitisme werd door Marr voorgesteld in de context van een meer wetenschappelijke benaming voor het oudere Duitse woord Judenhass (Jodenhaat).

Men moet deze "herbenoeming" niet interpreteren als een poging om het concept van Jodenhaat te elimineren of 'verbergen'.

Anderzijds is juist het gebruik van deze nieuwere term nogal eens bekritiseerd omdat hierbij ook andere Semieten werden inbegrepen, maar dat is pas veel recenter.

Ofschoon de grote Romeinse wijsgeer en staatsman Lucius Annaeus Seneca (4 v.Chr. - 65 n.Chr.) de joden neerzette als een "vervloekt ras" hebben de Romeinen het antisemitisme niet uitgevonden.

Er zijn verslagen van de verdrijving van ongewenste joden uit het oude Egypte.

Ook zijn er verslagen van vijandige bejegening van joden door Grieken (onder wie Diodorius Siculus (ca. 90 - 30 v.Chr.).

Ofschoon de Katholieke Kerk steeds een constante barrière vormde tegen antisemitisch geweld rechtvaardigden aanvallers op joden dit soms met religieuze argumenten, zoals oude theologische meningsverschillen tussen rabbijnen en de kerkvaders.

Volgens de laatsten waren de overgebleven joden die geen christenen waren geworden "blind", omdat ze Jezus niet als de christus (messias) wilden erkennen.

Daarnaast kwam de notie van "godsmoordenaars" op: de joden hadden Jezus gekruisigd en dus God vermoord (uitgaande dat Jezus God is volgens de drie-eenheid).

In zeer conservatieve christelijke kringen heerst deze opvatting vandaag de dag nog steeds.

In Europa zijn Joden onder andere slachtoffer van haat geworden door hun vermeende hebzucht.

Na het jaar 1000 werden de economische mogelijkheden in West-Europa zeer gunstig, zodat talloze Joden uit het Nabije Oosten zich er gingen vestigen.

Christenen mochten door het woekerverbod geen rente vragen voor geld dat zij uitleenden. Joden mochten dat onder andere wél, op grond van Deuteronomium 23:20-21.

Daarom konden Joden bankier worden die ondernemers een beginkapitaal konden leveren. De rijke Joodse bankiers waren echter uitzonderingen, verreweg de meeste Europese Joden waren armlastig, vooral de Joden uit Oost-Europa.

Voorafgaand aan de Eerste Kruistocht werden in 1096 duizenden Joden in Rijnlandse steden vermoord, omdat kruisvaarders (Duitsers en Fransen (Oost- en West-Franken), Lagelanders en Engelsen) meenden reeds daar de strijd tegen de 'ongelovigen' te moeten beginnen alvorens de "Saracenen" in het Heilige Land te beoorlogen.

Deze zogeheten Duitse kruistocht van 1096 ging de geschiedenis in als de eerste grote jodenvervolging.

Spanje en Portugal

In 1492 viel het koninkrijk Granada.

Hierna werd op 31 maart 1492 door het koningspaar Ferdinand II van Aragon en Isabella I van Castilië het Edict van Verbanning afgekondigd dat de gedwongen emigratie of bekering van alle Joden in Spanje behelsde.

Ongeveer 40.000 van de 80.000 in Spanje levende Joden emigreerden.

Zij vertrokken voornamelijk naar Portugal, Marokko en Italië.

Veel Joden die bleven bekeerden zich tot het christendom en lieten zich dopen.

Deze Joden werden conversos (bekeerlingen) genoemd, maar werden door de Spaanse Inquisitie in de gaten gehouden.

Verdenkingen dat zij de Joodse religie bleven praktiseren kwamen vaak voor, met name in de periode van 1478 tot 1530.

In Portugal werd de inquisitie in 1536 ingevoerd.

Ook hier werden de bekeerde Joden vervolgd.

Aan het begin van de 16e eeuw vertrokken vele Spaanse en Portugese Joden naar Amsterdam.

In 1700 telde de stad Amsterdam 10.000 Joodse inwoners, waarvan een groot deel van Spaanse of Portugese afkomst was.

Duitsland en Oostenrijk

Vanaf de 16e eeuw kreeg het Lutheranisme in Duitsland grote aanhang.

Maarten Luther stond in het begin niet negatief tegenover de Joden.

In 1523 benadrukte hij in "Daß Jesus ein Geborner Jude Sei" dat Jezus van Joodse afkomst was; hij wees hierin geweld tegen Joden af.

In 1543 schreef hij echter het pamflet Von den Jüden und iren Lügen waarin hij zeven maatregelen tegen de Joden voorstelde, variërend van het in brand steken van synagogen, scholen en huizen van Joden tot het opleggen van dwangarbeid.

In tegenstelling tot de nazi's ging het Luther niet om het Joodse volk als wel om het Joodse geloof.

Doel van Luther was hun bekering tot het christendom.

Nationaalsocialistisch antisemitisme

Antisemieten die zich minder aangetrokken voelden tot de mystiek, zoals Georg Ritter von Schönerer, de Oostenrijkse antikatholieke, jodenhatende en anti-Habsburgse nationalist, en de antisemitische burgemeester van Wenen, Karl Lueger, verwierpen de mystieke en sektarische bijeenkomsten en gingen meer voor de 'massabewegingen'.

Na het Duitse verlies in de Eerste Wereldoorlog ontstonden veel antisemitische clubs.

De bekendste waren de Beierse Thule-Gesellschaft, de Deutsche Arbeiterpartei en de Deutsche Sozialistische Partei.

Adolf Hitler sloot zich in september 1919 aan bij de Deutsche Arbeiterpartei en verwierp het sektarische karakter dat de club tot dan toe kenmerkte en maakte er onder de naam Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP) een massabeweging van.

Hitlers antisemitisme en nationalisme week niet af van dat van Lanz of Schönerer, maar de manier waarop Hitler zijn boodschap 'aan de man bracht', namelijk via goed georganiseerde en voorbereide toespraken, maakte hem populair.

Hitler begreep de mogelijkheden van de moderne massamedia zoals kranten, radio en film. Door een goed geoliede propagandamachine bewerkte hij de Duitse bevolking en werd populair.

Van een minuscuul sektarisch clubje groeide de NSDAP snel uit tot een massapartij met afdelingen in Duitsland en Oostenrijk.

Na de mislukte 'Bierkellerputsch' (ook Hitlerputsch) in 1923, werd Hitler tot een zeer korte gevangenisstraf veroordeeld (ter vergelijking: de hoofdmannen van de Beierse Revolutie van 1919 werden tot lange celstraffen veroordeeld of vermoord), die hij slechts gedeeltelijk uitzat.

Hij gebruikte zijn gedwongen 'retraite' om zijn ideeën te formuleren in Mein Kampf, de latere 'bijbel' van het nationaalsocialisme.

De NSDAP werd weliswaar verboden, maar dook spoedig weer op onder een nieuwe naam. Vanaf het einde van de jaren twintig (de NSDAP was toen weer de officiële naam) wonnen de nazi's steeds meer zetels in de Rijksdag en in 1933 werd Hitler door rijkspresident Paul von Hindenburg tot rijkskanselier benoemd.

Duitsland 1933:

'Duitsers! Verdedig U!

Koop niet bij Joden!'

Het nationaalsocialisme in Duitsland paste na de machtsovername van Adolf Hitler in 1933 het antisemitisme in zijn uiterste vorm toe.

De Duitse Joden werden door de Neurenberger wetten (1935) tot rechteloze burgers. Joodse ondernemingen werden onteigend.

De nazi's keerden zich ook tegen de plannen van zionisten om een joodse staat in Palestina op te richten.

De discriminatie van Joden breidde zich tijdens de Duitse bezetting van een groot aantal Europese landen en een deel van de Sovjet-Unie ook tot die gebieden uit. Tussen 1942 en 1945 leidde zij tot de moord op ongeveer zes miljoen Europese Joden in onder andere concentratiekampen.

Deze genocide wordt vaak holocaust of shoa genoemd.

Frankrijk
De Dreyfusaffaire, het gesprek van de dag in het laat-negentiende-eeuwse Frankrijk, is een bekend voorbeeld van het Frans antisemitisme.
Kapitein Alfred Dreyfus, een Joods-Frans legerofficier, werd er ten onrechte van beschuldigd informatie te hebben doorgespeeld aan het Duitse opperbevel. Dreyfus' veroordeling kwam niet zozeer doordat het (vervalste) bewijs tegen hem sprak, maar mede doordat hij Joods was. Bijkomend was het feit, dat hij uit de Elzas kwam en dat hij tot de Alemannisch-(Duits)-sprekende minderheid behoorde.
Lange tijd zat Dreyfus vast in het strafkamp Duivelseiland voor de kust van Frans-Guyana (Zuid-Amerika). Later bleek een Hongaars-Franse officier, Esterhazy, achter de spionage te zitten en werd Dreyfus vrijgesproken.
Hij kreeg eerherstel en werd bevorderd tot kolonel.

In Nederland werden na de Eerste Wereldoorlog een aantal kleine autoritaire politieke partijen opgericht, maar zij waren eerder fascistisch dan nationaalsocialistisch of antisemitisch. Initiatieven om extreem-rechtse en antisemitische partijen op te richten werden zeker na de crisis van 1929 genomen, maar deze partijtjes bleken eendagsvliegen die geen politieke macht verwierven.

Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog was het antisemitisme in Nederland geconcentreerd in de NSB van Anton Mussert.

Deze politieke partij groeide tijdens de Tweede Wereldoorlog van 32.000 leden in 1940 naar ruim 100.000 leden in 1943.

De Nationaal-Socialistische Nederlandsche Arbeiderspartij (NSNAP) die in 1931 werd opgericht, was nog veel antisemitischer dan de NSB.

Ernst Herman ridder van Rappard, de leider van de NSNAP, richtte zich geheel op de NSDAP van Hitler en ook op diens antisemitisme.

Bijzonder antisemitisch was ook het Zwart Front van Arnold Meijer.

Meijer richtte zich echter meer op Mussolini dan op Hitler.

Ook na de Tweede Wereldoorlog komen in Nederland antisemitische incidenten voor.

Meestal betreft dit de verspreiding van geschriften met antisemitische passages, of leuzen die worden geroepen tijdens demonstraties gericht tegen de staat Israël.

Zo worden de geschriften van Lucas en Jenny Goeree door betrokkenen als beledigend en antisemitisch ervaren.

Neonazistische groeperingen onderhouden websites met antisemitische teksten en er worden Joodse graven beklad en beschadigd.

Ook komen incidenten voor waarbij groepen moslimjongeren rellen veroorzaken door het uiten van antisemitische en/of antizionistische leuzen.

Weduwe Rost van Tonningen, bijgenaamd 'de Zwarte Weduwe', heeft met haar organisatie 'De Levensboom' bijgedragen aan het in stand houden van het Duits-nationalistische, maar ook antisemitische gedachtegoed.

Een organisatie die dergelijke ontwikkelingen in Nederland nauw volgt is het CIDI, het Centrum Informatie en Documentatie Israël.

Ook de Anne Frank Stichting houdt zich ermee bezig.

In de nacht van 2 op 3 februari 2009 werd het Sinaï Centrum, een joodse instelling voor geestelijke gezondheidszorg, in Amstelveen beschoten.

Volgens directeur Ronny Naftaniël van het CIDI markeerde dit een "volgende fase van de Jodenhaat in Nederland".

Sinds het Conflict in de Gazastrook van 2008-2009 is in Nederland het aantal antisemitische incidenten zoals schelden, bedreigen en geweld toegenomen.

In januari 2009 zouden er volgens voorlopige cijfers van het CIDI al evenveel antisemitische incidenten zijn geweest als in heel 2007 en deze zouden ook veel ernstiger van aard zijn.

Naftaniël: "Als antisemieten over een pistool beschikken gaat dat een stap verder dan het maken van een brandbom.

Dat is ook erg, maar dat kan iedereen."

Het aantal antisemitische incidenten steeg met een vergelijkbare snelheid als tijdens de Israëlisch-Libanese Oorlog in 2006 tussen Israël en Hezbollah in Libanon, toen het aantal gerapporteerde uitingen van Jodenhaat met 64 procent zou zijn toegenomen.

Naar aanleiding van een uitzending van het NTR-programma Onbevoegd Gezag in maart 2013, waarin Turkse jongeren schokkende antisemitische uitlatingen doen, moest een Turkse buurtvrijwilliger onderduiken nadat hij op televisie het antisemitisme onder Turkse jongeren aan de orde stelde.

Naar aanleiding van deze kwestie drong het Simon Wiesenthalcentrum aan op maatregelen bij de Nederlandse overheid.

In maart 2018, voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen, tekenden lijsttrekkers en vertegenwoordigers van vrijwel alle politieke partijen in Amsterdam die op basis van de prognoses kans maakten op het raadslidmaatschap het Joods akkoord.

Zij spraken zich hierin uit tegen antisemitisme en tegen jegens joden gericht geweld.

Rusland

In het Russische Keizerrijk was de Jodenhaat bijzonder groot.

Het motto van het Keizerrijk was “Autocratie, Orthodoxie en Volkskarakter” en dat betekende de onderdrukking van etnische en religieuze minderheden.

Aan het einde van de 19de eeuw waren er ongeveer 1400 discriminerende wettelijke bepalingen die de rechten van de vijf miljoen Russische Joden belemmerden.

Joden waren wettelijk verplicht om in 15 provincies in het hedendaagse Oekraïne, Wit-Rusland, Litouwen en Polen te wonen en dit geoorloofde woongebied heette de "Paal".

Voor sommige Joden werd een uitzondering gemaakt.

Er waren ook Joden in Siberië, maar die waren daar als straf naartoe verbannen.

Het was verboden voor Joden om land te bezitten; werken als ambtenaar en officier te worden in het leger.

Nog een voorbeeld van het antisemitisme in het Tsarenrijk was de Bejlis-affaire.

Bij tegenvallers zoals de Russisch-Japanse Oorlog en de Revolutie van 1905 richtte de bevolking zich tegen de Joden.

De wettelijke discriminatie van Joden werd afgeschaft door de Voorlopige Regering na de Februarirevolutie van 1917.

De bolsjewieken leken aanvankelijk het beter met de Joden voor te hebben, en relatief veel Joden sloten zich aan bij de communistische partij.

De bekendste van hen was Leon Trotski.

Trotski was van joodse afkomst, maar niet religieus en hij meende dat de joodse religie vanzelf zou verdwijnen, eens het socialisme (communisme) volledig gerealiseerd was.

Na de Oktoberrevolutie van 1917 werd de Joodse religie onderdrukt door de bolsjewistische communisten.

Tussen 1921 en 1925 werden ongeveer 800 synagogen gesloten door de communisten.

In april 1921 werden de eerste synagogen gesloten en dat gebeurde in Vitebsk.

De plaatselijke Joden protesteerden tegen de sluiting door de gebouwen te bezetten om daar gebedsdiensten te houden.

Hierop werden de synagogen aangevallen door de communisten, waarbij tientallen Joodse gelovigen vermoord werden.

De communisten riepen: “Dood Smouzen!”.

Tijdens het Joodse Nieuwjaar in 1921 werd er een showproces georganiseerd door de communisten tegen het Jodendom, waarbij de Joodse religie werd veroordeeld.

Volgens een Russisch onderzoek uit 1920 dat pas na de val van de Sovjet-Unie werd geopenbaard waren er meer dan 150.000 gerapporteerde sterfgevallen onder Joden tijdens de Russische Revolutie en Russische Burgeroorlog.

Voornamelijk de monarchistische Witten hielden grootschalige dodelijke Jodenvervolgingen.

Jozef Stalin stelde zich aan het eind van zijn leven openlijk antisemitisch op.

Een aantal onschuldige etnisch Joodse artsen werd bijvoorbeeld slachtoffer van zijn waanidee dat zij een aanslag zouden beramen (Dokterscomplot).

Dat er in de naziconcentratiekampen vooral veel joden vermoord zijn, werd in de Sovjet-geschiedschrijving nauwelijks vermeld.

Ook in de latere Sovjet-Unie was het voor Joden moeilijk carrière te maken, hoewel officieel discriminatie verboden was.

Na de val van het communisme bloeide het antisemitisme weer op.

Niet alleen onder de gewone bevolking, maar ook onder politici en academici.

Arabisch en islamitisch antisemitisme

In de Arabische en islamitische wereld hadden joden en christenen van oudsher een achtergestelde positie ten opzichte van moslims.

Sinds de 8e eeuw werd het dhimmi-systeem gebruikt dat de positie van joden en christenen regelde.

Het woord 'dhimmi' stamt van het Arabische ahl adh-dhimma.

Dhimmi's werd bescherming van het leven verleend (onder meer wanneer vijandige legers een gebied binnentrokken), het recht om in aangewezen locaties te wonen, hun eigen godsdienst uit te oefenen, te werken en handel te drijven.

Dhimmi's waren verschoond van militaire dienst en hoefden zich niet te houden aan islamitisch-religieuze verplichtingen. Zij moesten dan wel een extra belasting (jizyah) betalen en landbelastingen die de (moslim)autoriteiten hieven.

Tevens werden zij onderworpen aan allerlei andere beperkingen in vergelijking tot moslims en de islam. Als laatste staat schafte het Ottomaanse rijk het dhimmi-systeem in 1908 in zijn geheel af, nadat reeds in 1856 met het Hatt-i Humayun een volledige gelijkberechtiging van niet-moslims in het vooruitzicht was gesteld.

In de islamitische wereld vermengde traditionele Jodenhaat zich in de twintigste eeuw met het modern Europese antisemitisme.

Terwijl men anti-joodse motieven en bloedsprookjes rechtstreeks uit Europa importeerde, kweekten islamitische leiders ook lokaal een afkeer jegens de zionisten en hun pogingen om zich tijdens het Britse mandaat voor Palestina in eigen land zelfstandig te maken.

Deze leiders riepen reeds in de jaren twintig rechtstreeks op om de joden te doden. De grootmoefti Amin al-Hoesseini zocht in zijn verzet tegen het Britse bestuur en de Joodse immigratie in Palestina steun bij nazi-Duitsland.

Hij verbleef tijdens de Tweede Wereldoorlog in Berlijn en verzorgde daarvandaan anti semitische radio-uitzendingen.

Pogroms kwamen ook in de islamitische wereld voor.

Bij het pogrom van Safed werden ongeveer 500 joden om het leven gebracht.

De stad Safed in Palestina was al eerder het toneel geweest van pogroms.

Andere plaatsen waar pogroms voorkwamen waren Hebron in 1929, Shiraz in Iran, Fez in Marokko en de pogroms in Irak in 1941.

Ook ver na de Tweede Wereldoorlog kende de islamitische wereld uitingen van antisemitisme: op 24 april 1961 tijdens het proces tegen Adolf Eichmann publiceerde de Jordaanse krant Jerusalem Times - de stad was toen nog deels in Jordaanse handen - een open brief aan Eichmann waarin men stelde dat hij de mensheid een "zegen" had bewezen en dat zijn werk te zijner tijd zou worden afgemaakt.

De Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad heeft bij herhaling de Holocaust ontkend.

]

Antisemitisme in de 20e en 21e eeuw

Na de definitieve ondergang van nazi-Duitsland, de uitvoerige berichtgeving over de Holocaust in de media, alsmede de oprichting van een Joodse staat, hadden de Joden gehoopt dat de discriminatie jegens hen teruggedrongen zou zijn.

Toch is dat niet het geval.

Met name het Midden-Oosten, waar het antisemitisme als zodanig niet als misdaad wordt erkend en zelfs openlijk door fundamentalistische haatpredikers wordt gepredikt,maar ook Europa, toont sinds de Tweede Wereldoorlog een toename van antisemitische incidenten.

In Nederland concludeerden de Universiteit Leiden en de Anne Frank Stichting, in hun Monitor Racisme en Extremisme, dat het antisemitisme in Nederland in 2002 was toegenomen ten opzichte van het jaar daarvoor.

Het onderzoek was gebaseerd op gegevens van de politie en het Openbaar Ministerie.

De toestand in het Midden-Oosten werd als een van de oorzaken aangedragen.

Een ander resultaat van het onderzoek was dat antisemitisch geweld naar verhouding vaker voorkomt onder allochtonen dan onder autochtonen.

De onderzoekers plaatsten echter zelf kanttekeningen bij deze conclusie in verband met de geringe omvang van hun onderzoek.

Het JOP (Jeugdonderzoeksplatform, een initiatief van de Vlaamse overheid) hield in 2013 onder leiding van Mark Elchardus, hoogleraar sociologie aan de Vrije Universiteit Brussel, een enquête naar antisemitisch gedachtegoed onder moslimjongeren.

Het antisemitisme onder moslimjongeren, die zich veelal identificeren met de Palestijnen, blijkt fundamenteel en diepgeworteld volgens het onderzoek; het percentage Jodenhaat onder autochtone jongeren uit kansarme gezinnen blijkt laag, hetgeen korte metten maakt met het argument dat er een samenhang zou zijn tussen Jodenhaat en maatschappelijke achterstelling.

Verder is er het verschijnsel van zeer kwetsende antisemitische leuzen in het voetbalstadion (Hamas, Hamas, Joden aan het gas).

Als gevolg van sluipend antisemitisme onder moslimjongeren is het in sommige Amsterdamse buurten plotseling gevaarlijk om met een keppeltje op over straat te lopen, terwijl dat vroeger geen probleem was.

Het CIDI stelt ieder jaar een overzicht van antisemitische incidenten in Nederland samen.

Het gaat daarbij om incidenten die bij CIDI gemeld worden of via stedelijke meldpunten worden doorgegeven.

Dit rapport wordt onder meer aangeboden aan ministeries en internationale monitor-instituten.

In 2013 en 2014 kwam volgens de Anti-Defamation League antisemitisme het meest voor in Oost-Europa en in het Midden-Oosten en Noord-Afrika.

De ADL beweert dat een kwart van de wereldbevolking gelooft in antisemitische stereotypen.

Gevolgen en achtergronden

Volgens het Comité de coordination des organisations juives de Belgique (CCOJB) leidt antisemitisme ertoe dat veel Joden niet in het openbaar voor hun afkomst of joodse religie durven uit te komen.

Uitgelichte berichten
Recente berichten
Archief
Zoeken op tags
Volg ons
  • Facebook Basic Square
  • Twitter Basic Square
  • Google+ Basic Square
bottom of page