top of page

Slachtoffers Azteken komen tevoorschijn..

  • 15 mei
  • 4 minuten om te lezen

De Azteken rukten het hart uit de borstkas van hun slachtoffers en stelden de schedels tentoon, meldden de Spanjaarden.

Later werd het verhaal afgedaan als een fabeltje tot archeologen iets vonden.

 


De uitgeputte Spaanse conquistadores staren als verlamd naar het gruwelijke tafereel in de verte.

Het is zomer 1521, en de Spanjaarden zijn na een bloedig gevecht verdreven uit de machtige hoofdstad van het Azteekse rijk: Tenochtitlan.

Vanaf de rand van de stad zien ze nu hoe de Azteken 62 gevangengenomen Spanjaarden de trap van een tempelpiramide op sleuren.

Een trommel produceert een diep geroffel, begeleid door schelle fluittonen.

De Spanjaarden buiten de stad staan machteloos.

Het zijn geharde veteranen die al twee jaar met de beruchte Hernán Cortés tegen het Aztekenrijk in het huidige Mexico vechten.

Ze kunnen slechts tot hun god bidden.

De conquistadores weten inmiddels donders goed wat het getrommel en gefluit betekenen: de bloeddorstige goden van de Azteken willen weer mensenbloed zien Spaans bloed deze keer.

‘Met een vuursteen sneden ze hun borstkas open en rukten ze het kloppende hart eruit, dat ze aan hun afgoden offerden.

’Conquistador Bernal Díaz, die zijn kameraden geofferd zag worden

Volgens de soldaat Bernal Díaz, die erbij was, werden de krijgsgevangenen een voor een naar een platform op de piramide gebracht.

Daar legden de Azteken hen op een paar stenen.

‘Met een vuursteen sneden ze hun borstkas open en rukten ze het kloppende hart eruit, dat ze aan hun afgoden offerden.

Vervolgens schopten ze de lichamen van de traptreden,’ schreef de soldaat vele jaren later.

Bernal en de andere conquistadores, die zelf ook niet terugdeinsden voor grof geweld en mishandeling, rapporteerden dat de Azteken in bloed en dood leken te zwelgen.

Niet alleen offerden ze regelmatig mensen aan hun goden, ze aten ook het vlees van de slachtoffers en stelden de afgehakte hoofden tentoon op enorme stellages met duizenden schedels.

Lange tijd werd echter gedacht dat de Spanjaarden deze verhalen uit hun duim zogen om hun eigen wreedheden goed te praten.

Maar uit nieuwe vondsten in de Azteekse hoofdstad blijkt dat de soldaten de waarheid spraken. 



In het jaar dat de Spanjaarden zagen hoe hun kameraden geofferd werden, wist Hernán Cortés met de hulp van andere stammen Tenochtitlan in te nemen.

Dat was het einde van het Azteekse rijk.

Vervolgens sloegen de katholieke veroveraars alles kort en klein wat met het heidense geloof van de Azteken te maken had.

De piramidetempel werd verwoest en de Spanjaarden stichtten een stad op de puinhopen: Mexico-Stad. 

Er waren maar een paar honderd Spanjaarden, maar met hulp van plaatselijke stammen versloegen ze de Azteken.

450 jaar lang waren de beschrijvingen van de mensenoffers vooral een sensationeel verhaal uit oude documenten.

Maar in de jaren 1970 begonnen onderzoekers zich af te vragen of het allemaal wel klopte.

Waren de praktijken verzonnen?

Volgens de critici waren de beschrijvingen van mensenoffers gebaseerd op geruchten.

En de Spanjaarden die beweerden gezien te hebben hoe mensen werden geofferd, onder wie Hernán Cortés, hadden er belang bij om de Azteken neer te zetten als barbaren.

Zo vergoelijkten ze hun veroveringstocht.

Ook aan de zeer gedetailleerde beschrijving van Bernal Díaz werd getwijfeld.

Maar toen sloegen de archeologen aan het graven.

In 1978 vonden de Mexicanen een grote stenen schijf met een afbeelding van maangodin Coyolxauhqui, die volgens de mythologie onthoofd en in stukken gehakt werd door haar broer, de zonne- en oorlogsgod Huitzilopochtli.

De vondst leidde tot het blootleggen van de Azteekse tempelpiramide Huey Teocalli, of Templo Mayor in het Spaans.



 


Op de top van het heiligdom stonden volgens de onderzoekers twee kleine tempels, een voor Huitzilopochtli en een voor de regengod Tlaloc.

Daar werden volgens de Spanjaarden mensen geofferd.

Er werden echter nooit sporen van de offers zelf gevonden – tot er tientallen jaren later ineens schedels opdoken.

In 2015 vonden archeologen Raúl Barrera en Lorena Vázquez Vallin de eerste exemplaren op zo’n 200 meter van de Templo Mayor.

2 meter onder een gebouw achter de kathedraal van Mexico-Stad legden ze de resten van een soort toren met 35 schedels bloot.

Ze waren in drie halve cirkels boven elkaar in cement gegoten.

De schedeltoren bleek een diameter van 5 meter te hebben en zeker 1,7 meter hoog te zijn.

Dat strookte met een beschrijving van de conquistador Andrés de Tapia, die voor Hernán Cortés vocht.

‘Twee torens van kalk en schedels met het gebit naar buiten gekeerd.’

 


In 2020 hadden archeologen ruim 600 schedels blootgelegd. Veel waren er ingemetseld in ronde torens, zoals de Spanjaarden beschreven hadden.

Daarna kwamen er nog meer schedels bovendrijven.

Onderzoekers lokaliseerden ook de tweede schedeltoren en nog eens 600 schedels, veelal met doorboorde slapen.

Daarnaast ontdekten de archeologen tussen de twee torens paalgaten, die vermoedelijk bedoeld waren voor een gruwelijk dodenmomunent: Huey Tzompantli de Grote Schedelmuur.

Tzompantli is Azteeks voor ‘schedelrek’.

Het bizarre monument bestond volgens de Spanjaarden uit rijen palen met lange houten stokken ertussen, waaraan een enorm aantal schedels hing.

‘In het gebouw voor de tempel van Huitzilopochtli spietsten ze de hoofden van de gevangenen die ze onthoofdden.

’Missionaris Bernardino de Sahagún over de tzompantli van de Azteken

Huey Tzompantli wordt in de 16e eeuw genoemd door de missionaris Bernardino de Sahagún:

‘In het gebouw voor de tempel van Huitzilopochtli spietsten ze de hoofden van de gevangenen die ze onthoofdden.’



Zijn latere collega-priester José de Acosta schreef dit over de schedelmuur:

‘Dunne stokken, waarop veel schedels van mannen door de slapen gespietst waren.

Elke stang telde 20 hoofden.

De schedelrekken liepen van onder naar boven langs de palen en namen de hele palissade in beslag met zo veel en zulke dikke schedels dat ze bewondering en onrust wekten.’

Geen van de twee geestelijken zag de grote tzompantli echter met eigen ogen.

Ze gingen af op verhalen van anderen. Maar de conquistador Andrés de Tapia zou het monument wel zelf gezien hebben en telde de schedels.

Hij schatte dat het er zo’n 136.000 waren.

Dat cijfer is ongetwijfeld overdreven, maar alles wijst er volgens de archeologen op dat er zeker duizenden schedels waren.

Op basis van het aantal en de grootte van de paalgaten schatten ze dat Huey Tzompantli ca. 36 meter lang en 14 meter breed was.

Mogelijk was de schedelmuur 5 meter hoog.

 

 
 
 

Opmerkingen


Uitgelichte berichten
Recente berichten
Archief
Zoeken op tags
Volg ons
  • Facebook Basic Square
  • Twitter Basic Square
  • Google+ Basic Square
bottom of page