Oorlogsverhalen
- 2 feb 2020
- 7 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 17 feb 2022
Hoewel Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog een neutrale positie kiest, heeft de oorlog toch grote gevolgen voor ons land.
Zo vangt Bergen op Zoom vele duizenden Belgische vluchtelingen op.
Daarna volgt al gauw de Tweede wereldoorlog.
Hieronder volgen verhalen die echt gebeurd zijn, om jullie een beeld te geven van het ware gezicht van de oorlog.
Noord-Brabant heeft als grensprovincie direct met de oorlog te maken.
Ook loopt een groot deel van de zogenaamde dodendraad door Brabant.
Door een gat van ijzer kan je er voorzichtig doorheen kruipen, en zo door de dodendraad vluchten, bij achtervolgingen gebruikten de smokkelaars kraaienpoten die ze op de weg achter zich uitstrooiden zodat hun achtervolgers platte banden kregen en niet verder konden achtervolgen,
De oorlog had deze helden van het verzet nodig, zij verzorgde voedsel, wapens, geld en hielpen joden en zigeuners te vluchten.
Ze hadden wapens en een netwerk door heel Nederland, adressen om onder te duiken, geldbronnen die schatten en geld veilig stelden voordat de Duitsers ze van hen af zouden pakken.
Kranten en radiostations die de burger informeerde tot ze uit de lucht waren, dan wisten de burgers ze zijn betrapt door de Duitsers.
Amelia was drie maanden oud toen haar moeder stierf.
Amelia werd ondergebracht bij een tante in Zonhoven, België, die zelf ook al vier kinderen had. Het was armoe troef en Amelia werd door haar tante achtergesteld.
Dat werd allemaal nog erger toen Amelia’s oom werd opgeroepen voor Belgische krijgsdienst.
Amelia’s vader Daniël werkte in Valkenswaard op een sigarenfabriek en was daar ook in de kost.
Na het uitbreken van de oorlog, kon hij zijn dochter niet langer regelmatig bezoeken.
De grens zat dicht.
Amelia was vijf toen de oorlog uitbrak en had van haar vader nog geen scherp beeld.
Toen hij haar na de getekende vrede weer regelmatig in Zonhoven opzocht, vroeg zij zich af wie toch die man uit Holland was.
Steeds als die man op bezoek kwam, werd Amelia opgedoft, met een strik in het haar. Klasgenootjes verklapten haar op een dag het geheim. ,,Het is je vader.”
Je kan je dit als kind niet begrijpen, maar in de oorlog werden hele families uit elkaar getrokken om niet in handen van de vijand te vallen.
Jonge mannen gingen in het leger, om hun land te verdedigen, zelfs al zou di hun eigen leven kosten.
Het was een kwestie van overleven, wat er te eten was werd gegeten, van tulpenbol tot aardappelen zonder vlees en groente, het was er gewoon niet.
Nadat de 20-jarige Jaap van Cleef in 1942 in zijn woonplaats Amsterdam weet te ontkomen aan een razzia op Joden, moet hij onderduiken.
Hij ontvangt via het verzet een vals persoonsbewijs en komt onder zijn nieuwe naam, Gerard Herman Bonnet, terecht in het Brabantse Nuenen.
Daar verblijft hij op een donkere zolderkamer in het huis van dominee Plug en zijn gezin.
Op het kamertje zijn de zomers heet en de winters steenkoud.
Alleen wanneer er geen gevaar dreigt, mag hij naar beneden. Voor Jaap voelt de onderduikperiode bij de familie Plug als een gevangenschap.
In september 1944 komt hier een einde aan als Nuenen wordt bevrijd.
Jaap, die niet langer door het leven hoeft als Gerard, sluit zich aan bij de Royal Air Force (RAF) en dient als Duits-Engelse tolk voor de Britse troepen, die in Duitsland jacht maken op hooggeplaatste nazi’s. Wanneer Jaap terugkeert naar Amsterdam wordt het hem duidelijk dat niemand van zijn nabije familie de oorlog heeft overleefd. Het domineeshuis is intact gebleven en kan worden bezocht.
Ook de zolderkamer, die in dezelfde staat verkeert als toen Jaap van Cleef er destijds zijn onderduikjaren doorbracht.
Hans Schoon, geboren op 23 november 1921 te Uden, studeert aan de Roomsch Katholieke Handelshoogeschool.
Wanneer de oorlog uitbreekt moet hij een loyaliteitsverklaring tekenen. Dit doet hij niet en hij besluit onder te duiken. Als in 1944 delen van Nederland worden bevrijd besluit de moedige 22-jarige Hans zich te melden bij de Amerikaanse 82e luchtlandingsdivisie, als tolk en gids.
Enkele dagen nadat de geallieerden een nederlaag ondergaan, tijdens Operatie Market Garden, rijden Hans en een kameraad bij Elst.
Ze komen terecht in een Duitse hinderlaag en na beschietingen vliegt de auto in de fik.
Hans overleeft de brand niet.
Zijn ouders krijgen het bericht dat Hans wordt vermist.
Pas in april 1945 wordt het graf van Hans gevonden: ‘presumed american soldier’, vermeldt het kruis.
Cornelis Johannes Henricus (Cees) Sleegers vecht in 1940 bij Grubbenvorst aan de Maas.
De Duitsers maken hun inval, maar Cees staat zijn mannetje.
Zes uur lang probeert hij de Duitsers tegen te houden.
Met vier schoten in zijn buik houdt hij een groep van ongeveer vierhonderd soldaten tegen.
Op 15 juni 1946 wordt Cees voor zijn heldendaad benoemd tot Ridder der 4e klasse der Militaire Willemsorde.
In de meidagen van 1940 belandt de 22-jarige Eindhovense korporaal en geneeskundestudent Dick van Toor met de 5e Compagnie van de SROGN (School Reserve Officieren Geneeskundige Troepen) in Rotterdam.
Daar wordt hij getroffen door een sniper van het Duitse leger.
In oktober 1945, vlak na de oorlog, wordt er in Waalre de eerste provinciale herdenking gehouden.
De Oude Kerk aldaar wordt ingericht als gedenkplaats voor de Brabantse gesneuvelden.
Hier wordt Dick van Toor een paar maanden later, op 1 maart 1946, naamloos bijgezet in een graf, afgedekt met prachtige zerk.
Zo ook de Helmondse Maria (Mietje) van der Kuijlen, getrouwd met Josef (Sjef) Meulendijks en moeder van twee jonge kinderen.
Sjef werkt als wever hard om de eindjes voor zijn gezin aan elkaar te knopen.
De bezetting maakt het niet gemakkelijker voor Sjef.
Hoewel de Arbeitseinsatz pas in maart 1942 wordt ingesteld, wijkt hij, net als veel grensarbeiders al dan niet noodgedwongen al eerder uit naar Duitsland, waar werk zat is.
Van daar sturen ze geld naar hun gezin.
De arbeidsomstandigheden zijn slecht.
Wanneer Sjef en zijn metgezellen op 6 januari 1943 protesteren en het werk neerleggen, wordt Sjef gearresteerd als ‘stakingsleider’.
Hij werkt in verschillende strafkampen tot hij in juni naar Ravensbrück wordt getransporteerd. Ondertussen staat Mietje er alleen voor. De oorlog geeft geen tijd voor verdriet.
Ze wijdt zich aan haar belangrijkste doel: de kinderen zo goed mogelijk de oorlog doorkrijgen. Dan is het zover: 25 september 1944, Mietje heeft het gered, de kinderen hebben de bevrijding gehaald, hoewel maar net.
Hun toestand is zo schrijnend, dat de zesjarige Annie drie maanden wordt ondergebracht bij een pleeggezin in Jumet (België) om aan te sterken.
Mietje is blij als Annie weer terug is maar toch is het gezin nog niet compleet.
De kinderen hebben weinig of geen herinneringen aan hun vader, moeder Mietje herinnert zich haar man maar al te zeer: Zij wacht alsmaar op een teken van leven.
Om haar heen worden gezinnen herenigd of worden levens door verpletterend nieuws voorgoed veranderd.
Mietje is de stilte zat.
Op 23 oktober 1945 ziet ze in de Helmondsche Courant een advertentie voor een gastvoorstelling van de fascinateur ‘Winando’ met als extra attractie de mogelijkheid om vragen te stellen.
Ze waagt de gok en gaat naar het Sobriëtas gebouw in Helmond.
Ze is sceptisch, tot Winando het woord tot haar richt.
Zonder dat Mietje iets loslaat, weet hij dat Sjef in Ravensbrück zat, maar dat is niet alles. “In het voorjaar komt hij thuis!”, voorspelt Winando haar.
Opgetogen snelt Mietje naar huis. Hij komt terug!
Het voorjaar breekt aan.
Hoopvol werkt Mietje aan haar geliefde tuin.
Die moet in orde zijn, wanneer Sjef aankomt!
Lente loopt over in zomer en herfst.
Eind 1946 krijgt Mietje eindelijk een brief van het Rode Kruis.
Met trillende vingers scheurt ze de envelop open. “Geachte mevrouw Meulendijks…”, haar ogen schieten over de zinnen tot ze bij het gevreesde bericht aankomen.
Sjef Meulendijks is op 1 september 1944 overleden in Ravensbrück.
De Arubaan Boy Ecury (1922) groeit op in een bemiddeld katholiek gezin, bezoekt de fraterschool op het eiland en wil naar de militaire academie op Portorico.
Daar blijkt hij echter vanwege zijn donkere huidskleur niet welkom.
Dus wordt het Nederland, waar hij in het Brabantse Oudenbosch een handelsdiploma behaalt. Maar ook hier wordt hij regelmatig op straat uitgescholden voor ‘neger’.
Boy sluit zich tijdens de Duitse bezetting aan bij een Antilliaanse verzetsgroep in Tilburg, waartoe ook de studenten Evert Maria Newton, Luís de Lannoy en Tirso Sprockel behoren.
De uitvalsbasis is een pension in de Willem II-straat, waar Newton verblijft.
Sprockels woning fungeert als onderduikadres voor Joden en piloten.
De Lannoy werkt op een distributiekantoor en kan zo bonnen bemachtigen voor onderduikers. De Antilliaanse studentengroep verspreidt ook illegale bladen.
Met brandbommen wordt gepoogd vrachtauto’s, volgeladen met textielproducten voor Duitsland, in vlammen te laten opgaan.
Dadendrang en avontuur hebben soms de overhand. Op het nippertje ontsnapt Boy in 1944 aan arrestatie door de Sicherheitsdienst (SD), als hij net na een Duitse inval bij het onderduikadres van de Tilburgse Coba Pulskens geallieerde piloten wil afleveren.
Door zijn donkere uiterlijk valt hij in Brabant te veel op en verkast hij naar Rotterdam.
Daar wordt hij na verraad aangehouden door de SD en op 6 november 1944 geëxecuteerd op de Waalsdorpervlakte.
Tilburg is ook de stad waar tijdens de bezetting de Surinaamse arts Joop Lichtveld financierder is van het verzet voor hulp aan onderduikers.
Kamp Vught is de eindbestemming in Nederland van enkele gearresteerde Surinaamse verzetslieden: Chris van de Montel en zijn dochter Louise, die in het kamp al snel bekend staat als de ‘Vughtse nachtegaal’.
Het zingen is voor haar een manier om te ontsnappen aan de gekte.
Ze overleeft er ook het ‘bunkerdrama’, waarbij 90 vrouwen als strafmaatregel in een kleine bunker worden opgesloten en verschillenden de volgende ochtend gestikt blijken.
Ook de meest bekende Surinaamse antikolonialist en antifascist Anton de Kom wordt na zijn arrestatie in augustus 1944 naar kamp Vught overgebracht.
Hij overleeft de Duitse kampen niet.
Zoni Weisz uit Uden wist aan de treinreis naar het vernietigingskamp Auschwitz te ontkomen. Zijn vader, moeder, broertje en twee zusjes is hij er verloren.
Net als 22 andere familieleden.
De nestor van de Sinti in Nederland strijdt al zijn hele leven voor erkenning wat zijn volk is overkomen tijdens de Holocaust.
Verhalen uit de oorlog die je je als tiener nu niet kan voorstellen, maar ze zijn echt gebeurd.
Daarom is het ook zo belangrijk om de verhalen door te blijven geven aan onze jongeren, zodat ze weten dat vechten tegen een dreigende oorlog altijd nut heeft.



























Opmerkingen