De Slag bij Lepanto
- 3 mrt 2019
- 6 minuten om te lezen
De Slag bij Lepanto op 7 oktober 1571 was een zeeslag tussen de christelijke Heilige Liga en het islamitische Ottomaanse Rijk over de beheersing van het oostelijke Middellandse Zeegebied.
Het was een van de grootste zeeslagen uit de wereldgeschiedenis en ook de laatste grote zeeslag waar gebruik werd gemaakt van galeischepen.
Hij vond plaats in de buurt van Lepanto (dit is de vroegere Italiaanse naam van de Griekse havenstad Návpaktos) aan de nauwe ingang van de Golf van Korinthe.
De troepen van sultan Selim II waren in 1570 Cyprus binnengevallen met als doel de Venetianen uit het Oostelijk gedeelte
van de Middellandse Zee te verdrijven.
Venetianen vormden hierop een alliantie met Paus Pius V e
n Filips II van Spanje (25 mei 1571).
Tegen de tijd dat de geallieerde vloot zich verzameld had in Messina in Sicilië (24 augustus 1571), hadden de Ottomanen reeds Nicosia veroverd (9 september 1571), Famagusta belegerd en waren ze de Adriatische Zee binnengedrongen.
De geallieerde vloot vertrok op 15 september 1571 richting Korfu en bereikte de Ottomaanse vloot op 7 oktober.
De Slag bij Lepanto markeerde een scheidingslijn in de strijd tussen het christendom en de islam.
Aan de christelijke zijde werd oorlog een seculiere zaak.
In het verleden had de paus, hoewel vergeefs, een decreet uitgevaardigd dat de kruisboog niet gebruikt mocht worden in onderlinge conflicten tussen christenen, maar inmiddels was al het oorlogstuig geoorloofd.
Zo werden de nieuwe grote galjassen bewapend met kanonnen direct ingezet bij de zeeslag.
Aan de islamitische zijde kon echter iedere innovatie aanleiding zijn tot discussie of zelfs verzet.
Het eervol vechten diende te gebeuren met de wapens zoals bekend uit de Koran: het zwaard, de speer, de lans en de pijl-en-boog.
Een goede moslimsoldaat, zo was de opvatting, sprong in een bres of op een vijandelijk schip zonder bepantsering en gebruikte slechts de kracht van zijn armen. Moslims waren, zo luidt de legende, van mening dat het beter was op de juiste manier te vechten en een slag te verliezen dan oneervol te strijden.
De Osmaanse vloot onder leiding van Uluç Ali Pasha moest het opnemen tegen de verenigde vloten van Paus Pius V en die van Spanje, Venetië, Malta en Genua, onder het opperbevel van Don Juan van Oostenrijk, de halfbroer van Filips II.
Zijn vlaggenschip was de Real.
De christenen, met 84.500 man, 206 galeien, zes grote Venetiaanse galjassen en 102 hulpzeilvaartuigen, overwonnen de grotere vloot van de islamitische Osmanen (88.000 man, 210 galeien, 44 galjoten en 20 fusten) na een slag van ongeveer vier uur.
De bemanning van de Real wist de Turkse opperbevelhebber te doden.
Zijn hoofd werd op een spies gezet om de vijand te demoraliseren.
De Ottomanen verloren 200 vaartuigen, 24.000 man, onder wie hun aanvoerder Ali Pasha (volgens Uluç Ali Pasha leefde hij nog na de zeeslag) en ruim 15.000 christelijke galeislaven, de christenen slechts 15 galeien en 7500 man.
De vreugde in Europa was bijzonder groot, maar de snelle overwinning van de christenen werd door interne verdeeldheid niet echt uitgebuit.
Venetië (de sterkste bondgenoot van Spanje, dat de leiding had) sloot een afzonderlijke vrede in 1573; deze mogendheid was traditioneel meer gebrand op het veiligstellen van commerciële belangen dan in het verdedigen van het christendom.
De Ottomaanse vloot werd weldra herbouwd.
Het geloof in de onoverwinnelijkheid van de islamitische Ottomanen was echter door deze zeeslag aan beide zijden verdwenen.
Filips II kreeg door deze overwinning wel de benodigde adempauze om zich verder te concentreren op de Nederlandse Opstand, die net zo belangrijk was als de verdrijving van de Ottomanen uit dat gedeelte van de Middellandse Zee.
Deze zeeslag had een grote invloed op het moreel van de christenheid en was het onderwerp van verschillende schilderijen van grootmeesters als Titiaan, Tintoretto en Veronese. In 2001 heeft de Amerikaanse kunstenaar Cy Twombly 12 grote schilderijen over de slag bij Lepanto vervaardigd, die permanent worden tentoongesteld in Museum Brandhorst in München.
Aan christelijke zijde werd de overwinning toegeschreven aan het bidden van de rozenkrans door zowel het niet-strijdende volk als de krijgsmacht.
Na de slag stelde paus Pius V officieel op 7 oktober een feestdag in ter gedachtenis van de overwinning op de Ottomanen.
Sindsdien geldt binnen de Katholieke Kerk de maand oktober als rozenkransmaand.
Onder de christelijke strijdkrachten bevond zich de avontuurlijke Spaanse schrijver Miguel de Cervantes (de auteur van Don Quichot), die tijdens de strijd het functioneel gebruik van zijn linkerarm verloor.
In de kathedraal van Barcelona hangt een Christusbeeld dat op een van de schepen uit de slag zou hebben gehangen. Volgens de legende bewoog het beeld zich tijdens de gevechten op miraculeuze wijze naar rechts om te vermijden dat het geraakt zou worden door een kanonskogel.
Het metrostation Lepanto van de Metro van Rome is genoemd naar de Slag.
In 1453 viel Constantinopel in handen van de Turken; de Balkanlanden waren toen al grotendeels in hun handen en ook Griekenland lag open.
In 1456 veroverden ze Athene en een groot deel van het Griekse vasteland.
Een aantal eilanden kwam later aan de beurt, Rodos pas in 1523, Kreta in 1669.
Venetië heeft lang stand gehouden, Korfoe zelfs tot 1797.
Steeds was er strijd tussen Venetië en de Turken.
Een Spaans-Venetiaanse vloot onder leiding van Don Juan van Oostenrijk (natuurlijke zoon van keizer Karel V) bracht de Turken in 1571 bij Lepanto (nu Návpaktos) aan de Golf van Korinthe een nederlaag toe.
De Turken bouwden echter in een paar jaar een volledige nieuwe vloot.
In 1687 belegerden de Venetianen de Akropolis van Athene; de Turken hadden hun kruitvoorraad opgeslagen in de Parthenon-tempel.
Een mortierkogel veroorzaakte een explosie die aan het gebouw onherstelbare schade toebracht.
De sultan verdeelde Griekenland in een zevental militaire districten en stuurde er Turkse boeren heen om zodoende een reserveleger bij de hand te hebben.
Sommige dorpen waren eigendom van Turkse grootgrondbezitters; er waren geheel Turkse en geheel Griekse dorpen.
Een militair (de "agha"), die vaak afwezig was, oefende er het gezag uit.
Op de eilanden merkte men nog het minst van de Turken.
Ook al bestond er sinds 1453 geen Grieks(talig)e staat meer, de Grieken vormden binnen het Osmaanse rijk allerminst een minderheid.
Handel en zeevaart waren bijna uitsluitend Griekse professies.
Hoewel men om ambtenaar te worden wel de islam moest aanhangen, werd Buitenlandse Zaken desalniettemin door Grieken beheerst.
Gedurende de Turkse overheersing verslechterde de economische ontwikkeling van Griekenland.
Na 1600 voerden de Ottomans in delen van Griekenland een militair bestuur in, wat leidde tot verzet.
Het leidde eveneens tot economische ontwrichting en een snelle daling van de bevolking.
De Christelijke bevolking diende net zoals alle andere niet-moslims in het Ottomaanse Rijk een jizya te betalen, een belasting die, eenmaal betaald, een zekere vrijheid van religie toeliet. Hoewel niet-moslims niet in het leger van de Sultan hoefden te dienen, werd elke Christelijke gemeenschap verplicht één zoon op vijf af te staan.
Die kinderen werden vervolgens opgevoed als Moslim en opgeleid om te dienen in het korps van de Janitsaren, de elite-eenheid van het Ottomaanse leger.
Die opleiding kon leiden tot een aanzienlijke carrière in het Ottomaanse bestuur.
Volgens de Griekse geschiedkundige Constantine Paparrigopoulos zouden gedurende de Ottomaanse periode ongeveer één miljoen Griekse kinderen in het Janitsarenkorps zijn ingelijfd.
De drang naar onafhankelijkheid en de propaganda van de geheime genootschappen hadden succes: in 1821 brak de opstand tegen de Turken uit.
Maar al spoedig begon de tegenslag en wel door de komst van Ibrahim Pasja, de veldheer van Mehmed Ali van Egypte, die de sultan te hulp snelde.
Met bloeddorstige wreedheid onderwierp hij verscheidene eilanden: op Chios werden 23.000 mensen vermoord («le massacre de Scio»).
Hij veroverde de Peloponnesos en drong door tot Midden-Griekenland.
In 1826 vielen Athene en de sterke vesting Messolóngion hem in handen.
De Griekse opstand was in bloed gesmoord, het land verwoest.
Ondertussen had echter de publieke opinie in Europa partij gekozen voor de Grieken; de genootschappen van filhellenen stuurden geld, wapens en vrijwilligers.
Ze verafschuwden de Turkse moordpartijen op de Grieken, die ze als afstammelingen van de helden van Marathon en Thermopylai beschouwden.
De bekendste filhelleen was de Engelse dichter Lord Byron (1788-1824), die zich, na een zwerversleven door Europa, in 1824 als vrijwilliger meldde in het belegerde Messolóngi, waar hij drie maanden later aan de malaria bezweek.
In 1827 keerde alles ten goede: Rusland, Frankrijk en Engeland grepen in.
Hun vloot bracht de Turks-Egyptische de nederlaag toe bij Navarínon, op de westkust van de Peloponnesos ten noorden van Pylos.
De Turken werden verdreven uit de Pelopónnesos en Midden-Griekenland.
Dit bevrijde gebied werd een republiek met Ioannis Kapodistrias als president.



























Opmerkingen