top of page

Spaanse Burgeroorlog

De Spaanse Burgeroorlog was een groot conflict dat uitgevochten werd in Spanje van 17 juli 1936 tot 1 april 1939.



De oorlog begon na een pronunciamiento (oppositieverklaring) van een groep rechtse generaals onder leiding van José Sanjurjo tegen de regering van de Tweede Spaanse Republiek, op dat moment onder leiding van president Manuel Azaña.

De militaire staatsgreep werd gesteund door conservatieve groepen als de CEDA, monarchisten zoals de religieus-conservatieve carlisten, en de fascistische falangisten.

De generaals hadden autoritaire en anti-separatistische inspiratiebronnen.

Aan nationalistische zijde waren er sterke anti-Baskische en anti-Catalaanse gevoelens.

Na de slechts gedeeltelijk succesvolle staatsgreep was Spanje militair en politiek verdeeld.

Vanaf dat moment voerde generaal Francisco Franco een langdurige oorlog tegen de gevestigde regering, omdat de trouwe aanhangers van de linkse republikeinse regering de rebellen bevochten voor de controle over het land.

De generalen (nacionales) kregen de steun van nazi-Duitsland en het koninkrijk Italië, evenals van het naburige Portugal, terwijl de Sovjet-Unie en Mexico hun steun gaven aan de republikeinse regering.

Bloedige zuiveringen deden zich voor in delen van Spanje die veroverd werden door de nationalisten om het toekomstige regime van Franco te consolideren, terwijl gelijkaardige moorden plaatsvonden in gebieden die veroverd werden door de republikeinen.

Tienduizenden burgers aan beide kanten werden vermoord wegens hun politieke of religieuze standpunten, en na het einde van de oorlog in 1939 werden diegenen die geassocieerd werden met de verliezende republikeinen vervolgd door de zegevierende nationalisten.

De oorlog eindigde met een overwinning voor de conservatieve nationalisten, het omverwerpen van de democratische regering, en de ballingschap van duizenden linkse Spanjaarden, van wie velen vluchtten naar vluchtelingenkampen in Zuid-Frankrijk, onder andere Le Vernet.

Met de oprichting van een dictatuur onder leiding van generaal Francisco Franco in de nasleep van de omwenteling, fuseerden alle rechtse partijen in de structuur van het Franco-regime.




In 1931 werd in Spanje de Republiek uitgeroepen door een revolutionair comité onder leiding van Alcalá Zamora toen er na afloop van de gemeenteraadsverkiezingen rellen uitbraken en koning Alfons XIII het land ontvluchtte.

Het revolutionair comité riep zichzelf uit tot interim-regering met Alcalá Zamora als staatshoofd.

Hoewel formeel een democratie, was het land politiek instabiel, wat veroorzaakt werd door sterke tegenstellingen tussen links en rechts.

Aanvankelijk had links de meerderheid.

In 1931 werd een linkse grondwet aangenomen, met als gevolg landhervormingen en een sterk antiklerikale wetgeving. De overheid betaalde niet meer de lonen van de priesters; burgerlijk huwelijk werd toegestaan en echtscheiding werd mogelijk.

Lokaal werd hier en daar spontaan overgegaan tot collectivisatie.

Betrokkenen bij de aan de republiek voorafgaande dictatuur van Miguel Primo de Rivera onder koning Alfons XIII werden gestraft.

In april 1931 publiceerde de Spaanse aartsbisschop Pedro Segura een bisschoppelijke brief tegen het voornemen om vrijheid van godsdienst en de scheiding tussen kerk en Staat in te voeren.

Op 3 juni 1931 stuurden de Spaanse bisschoppen een brief waarin ze de scheiding tussen kerk en staat en de afschaffing van de verplichte katholieke lessen op basisscholen bekritiseerden.

Op 10 augustus 1932 pleegde generaal José Sanjurjo een mislukte rechtse staatsgreep tegen de republiek.






De staatsgreep was voornamelijk gericht tegen het autonomiestatuut van Catalonië. De staatsgreep van Sanjurjo werd gesteund door de carlistische en alfonsistische monarchisten.

Sanjurjo had toezeggingen gekregen van Benito Mussolini dat hij Italiaanse diplomatieke steun zou krijgen als de staatsgreep zou slagen.

Sanjurjo werd aanvankelijk tot de doodstraf veroordeeld, maar die straf werd omgezet in een gevangenisstraf. In maart 1934 verleende de Lerroux-regering hem amnestie en hij ging in Portugal in ballingschap.

In november 1933 wonnen de rechtse partijen de verkiezingen, waarna veel maatregelen werden afgezwakt of teruggedraaid.

Op 31 maart 1934 hadden generaal Emilio Barrera en afgevaardigden van de alfonsisten en carlisten een ontmoeting met Mussolini.

Hoewel er ideologische verschillen bestonden tussen de verschillende Spaanse afgevaardigden, vond Mussolini dit niet erg zolang het verbond een monarchistisch en corporatistisch karakter zou hebben.

Mussolini beloofde 1,5 miljoen peseta’s, 20 000 granaten en 200 machinegeweren.

Toen in oktober 1934 de zeer rechtse (semi-fascistische) CEDA tot de regering toetrad kwamen in diverse delen van het land linkse krachten in opstand.

Hierbij werd onder andere een groot aantal kerken en kloosters geplunderd en verbrand.

Op verschillende plekken braken stakingen en opstanden uit die gepaard gingen met geweld en aanvallen op kazernes van de Guardia Civil en openbare gebouwen.

De linkse leider Largo Caballero had begin oktober opgeroepen tot een revolutie van de massa's.

Zover was het echter niet gekomen zoals hij moest erkennen.

De opstand, waarin onder meer Catalonië zich onafhankelijk verklaarde, werd de kop ingedrukt na het uitroepen van de staat van beleg en uiterst hard optreden door de politietroepen.

Alleen al in de mijnstreek Asturië had de revolutie meer dan duizend slachtoffers gekost en grote materiële schade veroorzaakt.

Daarna werden duizenden arbeiders ontslagen omdat ze hadden deelgenomen aan de opstand.

Ook werden duizenden gevangengezet tot in januari 1935 de staat van beleg werd opgeheven.

Twintig mensen werden ter dood veroordeeld.

Uiteindelijk werden twee vonnissen voltrokken.

Er werd een nieuwe regering gevormd met vijf CEDA-leden in het kabinet, met generaal Banjul als ondersecretaris en Franco als bevelhebber van de generale staf.

Deze regering draaide veel van de progressieve republikeinse maatregelen terug; kerkelijke bezittingen werden teruggegeven en grootgrondbezitters werden schadeloos gesteld voor de landonteigeningen.

Militant links, waaronder Largo Caballero, was na de tijdelijke gevangenzetting verder geradicaliseerd en bereid de strijd aan te gaan.

De conservatieven werden door uitspraken van Largo Caballero als "ik wil een Republiek zonder klassenstrijd, maar daarvoor moet één klasse verdwijnen" bevestigd in hun geloof dat ze alles moesten doen om de aangekondigde "dictatuur van het proletariaat" te verhinderen.

Voordat in december 1935 een nieuwe regering werd aangesteld om de verkiezingen voor te bereiden, probeerde Gil-Robles om Franco en andere generaals te peilen voor het uitroepen van een staat van beleg om de beëdiging van de nieuwe regering te voorkomen, maar de generaals waren van mening dat er te weinig steun zou komen vanuit de soldaten en de lagere officieren.

In februari 1936 waren er nieuwe verkiezingen waarin het ging tussen de linkse alliantie Frente Popular (Volksfront) en het rechtse blok van de CEDA, het 'nationale contrarevolutionaire front', gesteund door de clerus. Links speelde in op de angst voor de "falangisten" en rechts op angst voor een bolsjewistische revolutie. Beide partijen gebruikten apocalyptische retoriek, wat de verwachting voedde dat er uiteindelijk een gewelddadige oplossing zou komen en geen politieke meer mogelijk was.

De linkse krachten, verenigd in het Volksfront, wonnen met krappe meerderheid.

Mogelijk mede doordat in het jaar ervoor de lonen van de arbeiders waren verlaagd.

De verkiezingen van februari 1936 verliepen rustig en zonder problemen.

De monarchistische krant ABC schreef op 17 februari 1936 dat de verkiezingen verliepen "zonder bedreigingen en zonder schandalen.

Iedereen heeft gestemd wat hij wilde in absolute vrijheid."

Na de verkiezingen van februari 1936 probeerde Franco de demissionaire premier Manuel Portela Valladares te overtuigen om een staat van beleg af te kondigen en te weigeren om het Volksfront als regering te benoemen.

Er kwam een nieuwe linkse regering onder leiding van Manuel Azaña.

De regering werd gesteund door de andere partijen van het Volksfront in het parlement, zoals de Spaanse Socialistische Arbeidspartij en de Communistische Partij van Spanje.

De regering gaf alle resterende gevangenen van de oktober-revolutie amnestie, herstelde de socialistische raden, hervatte de confiscatie van land van de grootgrondbezitters en zegde toe dat alle arbeiders die hun baan kwijt waren geraakt ten gevolge van de oktober-revolutie weer naar hun werk terug zouden kunnen.

In het land heerste echter een chaotische situatie en stakingen en gewelddadigheden namen toe.

De op zich niet zeer radicale regering kon of wilde niet optreden tegen excessief antiklerikaal geweld van de kant van extreem-linkse groeperingen.


Ook kon de regering niet het rechtse geweld stoppen.

In april 1936 werd Spanje opgeschrikt door een reeks aanslagen.

Het eerst slachtoffer was de rechter Manuel Pedregal die werd vermoord door een aanhanger van de rechtse Falange, omdat hij een falangist had veroordeeld tot dertig jaar cel voor de moord op een linkse krantenverkoper.

Op 14 april ontplofte een bom tijdens een militaire optocht ter ere van het vijfjarige bestaan van de Republiek, waarna een schietpartij ontstond tussen falangisten en de Guardia de Asalto.

Ook eiste de Falange de moord op journalist Luciano Malumbres in Santander, de moord op Manuel Andrés in San Sebastian en de moord op de socialist Carlos Faraudo uit Madrid op.

Op 14 maart 1936 mislukte een aanslag op Largo Caballero door de Falange.

Wegens de mislukte aanslag werd de Falange verboden.

Op dezelfde dag hadden Franco en Falange-leider José Antonio Primo de Rivera een ontmoeting om een gezamenlijk actieplan op te stellen.

In de lente van 1936 werd een verbond gesloten tussen de carlisten, falangisten, alfonsistische monarchisten en rechtse officieren. José Antonio Primo de Rivera had in juni definitief toegezegd dat de Falange de opstand van Franco en Mola zou steunen.

Mola had al bevolen dat de opstand tussen 10 en 20 juli plaats zou vinden.

Op 16 april schoten falangisten met machinegeweren op arbeiders in Madrid, waarbij drie arbeiders werden gedood en ongeveer veertig werden gewond.

Elke linkse groepering begon zijn eigen militie op te zetten, een ongekend aantal mensen liep daardoor gewapend rond.

Ook de falangisten, de monarchisten en carlisten begonnen zich haastig te bewapenen.

Op 1 juni werd een stakingsmars van bouwvakkers beschoten door falangisten.

Uit wraak werden drie lijfwachten van José Antonio Primo de Rivera – de leider van de Falange – vermoord door anarchisten.

Er leek een vicieuze cirkel van geweld te ontstaan.

Volgens CEDA-leider Gil Robles bedroeg de door revolutionairen veroorzaakte verwoesting tussen de verkiezingen in februari en 16 juni 1936: 170 kerken totaal verwoest (door plundering en brandstichting), 269 hoofdzakelijk politieke moorden en 1287 gewonden door politiek geïnspireerde aanslagen.

Critici beweren dat Gil Robles ook de moorden van de rechtse Falange ten onrechte aan de linkse revolutionairen toebedeelde.

De economie begon sterk te stagneren, arbeiders stelden enorme looneisen, de werkloosheid nam toe en de peseta daalde sterk in waarde.

De regering begon het leger te reorganiseren zodat onwelgevallige legerleiders zoals Franco minder belangrijke posten kregen.

Met het snoeien in het uitgebreide en dure opperofficierenbestand was voor veel legerofficieren echter de maat vol.

Op 12 juli 1936 werd luitenant José Castillo van de politieenheid Guardia de Asalto vermoord door falangisten. Castillo was lid van de socialistische partij. De volgende dag werd uit wraak de leider van de monarchistische fractie in het parlement José Calvo Sotelo door leden van de Guardia de Asalto van huis opgehaald en vervolgens vermoord. Zijn lijk werd in een park achtergelaten. Op het moment van de moord op Calvo Sotelo in Madrid was al een vliegtuig op weg naar Las Palmas om generaal Franco op te halen, om hem naar Tetuán te brengen om zich bij het Leger van Afrika te voegen. De coupplegers probeerden echter later de opstand te rechtvaardigen door te wijzen op de moord van Sotelo door politieagenten.

Een groep officieren, aanvankelijk geleid door Emilio Mola, zette op 17 juli 1936 een staatsgreep in gang.

De voorafgaande moord op de monarchistische politicus José Calvo Sotelo op 12 juli vormde formeel de aanleiding, maar de werkelijke reden was het naar hun mening onmachtige bestuur in Spanje en het afglijden naar anarchie.

De plannen voor een coup lagen al geruime tijd klaar.

Het leger van Spaans-Marokko onder leiding van Francisco Franco was onderdeel van de militaire opstand, maar kon de Straat van Gibraltar niet oversteken doordat de marine de republikeinse regering trouw bleef. Hitler en Mussolini stuurden daarop transportvliegtuigen die de koloniale troepen in de eerste luchtbrug in de geschiedenis overvlogen naar Burgos.

Vanuit Burgos rukte Franco op naar het noorden.


De opmars van de nationalisten begon direct op de dag van de coup.

De nationalistische factie bestond uit de monarchisten, de carlisten, de fascistisch georiënteerde falangisten en andere rechtse groepen uit kringen als de middenstand en industriëlen.

De arbeiders bewapenden zichzelf voor zover ze nog niet bewapend waren en vormden milities samen met liberalen, socialisten, communisten, anarchisten en Baskische en Catalaanse separatisten.

Vanuit het zuiden rukten de nationalistische troepen noordwaarts op richting Madrid en via de kust naar Málaga.

Deze toenmalige arbeidersstad en zijn omgeving boden felle tegenstand.

Behalve een korte tegenreactie in de volkswijk Triana viel Sevilla vrijwel zonder tegenstand.

In het noorden van Andalusië werden Granada en Córdoba ingenomen.

De nationalisten prikten oostwaarts nog door tot in Albacete, maar daar werd de opstand teruggeslagen.

Hier werd immers de voor de republikeinen vitale verbinding tussen Madrid en Valencia bedreigd.

Tegelijkertijd rukte generaal Mola vanuit Pamplona westwaarts op.

Pamplona was het bolwerk van de carlisten, die ijverden voor de terugkeer van de koning en 100% gekant waren tegen de regering in Madrid.

Zonder noemenswaardige tegenstand vielen alle binnenlandse Castiliaanse steden in hun handen.

Na een dikke week hadden de nationalisten de volledige noordelijke helft van Spanje onder controle, uitgezonderd Baskenland en de kuststreek, waar hevige strijd bleef woeden.

In de noordelijk helft van het Spaanse binnenland met steden als Ávila, Soria, Segovia, Salamanca, en Palencia, waren de inwoners van oudsher vroom katholiek en het merendeel van de bevolking aldaar was de nationalisten gunstig gezind.

Een kleine opsomming van de gebeurtenissen in belangrijke steden:

  • In Valladolid greep generaal Saliquet de macht. Hij nam de stad in hoewel de spoorwegarbeiders de hele dag weerstand boden tegen de goed gewapende Guardia Civil, de oproerpolitie, boeren en falangisten.

  • Burgos, een gemoedelijke en conservatieve stad, werd door het nieuwe bewind zonder enige tegenstand ingenomen. Er werd bijna geen schot gelost. Nadat er echter namenlijsten van linkse organisaties werden gevonden bij het politiebureau, werden diegenen die erop stonden door de nationalisten gefusilleerd.

  • In Zaragoza kwamen de troepen op straat bij het krieken van de dag en namen de strategische punten in, voordat de syndicaten enige weerstand konden organiseren. In de rest van Aragón konden Huesca en Jaca op dezelfde manier overgenomen worden.

  • In Teruel verklaarde een kolonel in aanwezigheid van maar zeven soldaten de Staat van Oorlog. Hij verbond zich met de Guardia Civil en de oproerpolitie en nam de stad in.

  • In Navarra bestond niet de minste twijfel over een nationalistische overwinning. Mola riep de Staat van oorlog uit te Pamplona met de hulp van 6000 carlistische requetes. Er waren daar slechts 1200 geweren aanwezig maar vanuit Zaragoza werden er 10 000 meer toegestuurd.

  • In León verschenen 2000 mijnwerkers die wapens eisten. De gouverneur ging op deze eis in, maar eiste dat de mijnwerkers de stad direct weer verlieten, wat ook gebeurde. Daarna viel de stad in handen van de nationalisten, toen de mijnwerkers reeds ver in de richting van Madrid waren getrokken.

  • In het iets meer noordelijker gelegen Oviedo gebeurde er iets gelijkaardigs: een contingent gewapende mijnwerkers verscheen ten tonele maar de plaatselijke militaire gezagvoerder Aranda stelde hen gerust, bewerende dat hij loyaal was aan de Republiek. Nadat de pas bewapende arbeiders naar Madrid trokken verklaarde de generaal de stad voor de nationalisten, waarop een deel van de arbeiders naar de stad terugkeerde en aan een langdurige maar nutteloze belegering begon. De stad zou gedurende een aantal maanden een nationalistische enclave blijven in de republikeinse zone.

  • Ávila, een prachtige middeleeuwse stad, niet zo ver van Madrid en Segovia gelegen, lag ook in de nationalistische zone. In de buurt van deze steden werd een front gevormd door de anarchistische kolonel Mangada, tijdens een gevecht met de falangisten onder leiding van Onésimo Redondo, waarbij deze laatste gedood werd.

  • Soria, in het centrum van Castilië, was een verzamelpunt waar vrijwel onmiddellijk een viertal nationalistische legers samenkwamen, waaronder dat van kolonel Rado. Ze werden door de plaatselijke bevolking zeer geestdriftig onthaald en als bevrijders begroet.

  • Te Zamora, een stad niet ver van de Portugese grens, werd de regeringsgetrouwe liberale republikeinse generaal Caminero verslagen. Hij wilde de nationalistische legers, die voorttrokken op de weg Burgos-Madrid, in de flank aanvallen met de hulp van Asturische anarchistische mijnwerkers uit de streek van Oviedo. Caminero werd in het fort van Pamplona opgesloten.

  • Toen generaal Mola de grote stad Salamanca binnenrukte, was zijn opstandelingenleger inmiddels al aangegroeid tot 40 000 mensen, zowel geregelde troepen als vrijwilligers.

  • De belangrijkste Galicische steden Orense, Vigo, Santiago en La Coruña vielen bijna op één dag. Pontevedra werd ingenomen door slechts 400 falangisten en daarmee was de eerste fase van de noordelijke campagne van Mola afgerond.

Dit offensief werd beschreven door Britse en vooral Duitse journalisten, die het offensief op de voet volgden. Rechtse kranten uit heel Europa namen de oorlogsverslagen over.

Een paar weken later was de toestand in de "nationalistische zone" helemaal gestabiliseerd en het leven hernam vlug zijn gewone gang.

Er was geen hongersnood en de sociale hulp, de Auxilio Social, was uitgebreid en goed georganiseerd.

Alles kon nu voorbereid worden voor de verovering van Madrid en het Baskenland.

In het zuidwesten, de streek van Badajoz en Huelva waar nogal wat mijnwerkers woonden die de republikeinse kant kozen, waren de gevechten heviger.

Het was de bedoeling dat generaal Juan de Yagüe en zijn zuidelijk leger de nationalistische zone zou bereiken en daarbij Madrid niet rechtstreeks zou aanvallen.

In Catalonië zagen de nationalisten hun opstand mislukken.

Met name de anarchisten gingen massaal in het verweer en tijdens de straatgevechten vielen vele slachtoffers. De republikeinen herpakten en organiseerden zich en gingen zelf in de tegenaanval in de richting van de nationalistische stad Zaragoza, waar een bekende officiersopleiding gevestigd was.

Halverwege de twee steden stabiliseerde het front zich voor enige tijd langs de rivier Ebro.

In de republikeinse zone, in feite het zuidoosten van Spanje en Madrid, kwam het leven langzamerhand ook op gang maar het kwam tot interne conflicten tussen de verschillende politieke stromingen van links in het republikeinse kamp, waarbij de anarchisten door de Moskou-getrouwe communisten bestreden werden.

In totaal zijn er gedurende de gehele burgeroorlog 13 bisschoppen, 4184 priesters, 2365 monniken en 283 nonnen vermoord in de republikeinse zone.

Het platbranden van kerken, kloosters en religieuze instellingen werd beleid en de totale vernietiging van de Katholieke kerk in Spanje werd openlijk in de Catalaanse kranten aangekondigd.

Overigens vermoordden Franco's nationalisten op hun beurt 16 Baskische priesters die de separatistische Baskische Nationale Partij steunden. Ook werden 20 protestantse dominees in 1936 vermoord door Franco's troepen.

In de nationalistische zone werden vele vakbondsleden en “liberale” mensen vermoord.

In het stadje Huesca werden ongeveer honderd bewoners doodgeschoten.

In Teruel werden 1005 mensen vermoord en in de 84 meter diepe bronnen van Caudé gegooid.

In de provincie Sevilla werd door nationalistische repressie ongeveer 8000 mensen vermoord.

In de nacht van 22-23 augustus werden 1200 republikeinen in de arena van Badajoz doodgeschoten door de nationalisten.

Het gebeurde voortdurend dat de republikeinen, voordat ze een plaats ontruimden, nogal wat leden van rechtse partijen en geestelijken al dan niet met hun gezin, terechtstelden.

In Madrid werden er bijvoorbeeld duizenden burgers, inclusief vrouwen en kinderen, in een grote ronde betonnen put gepositioneerd en langs verschillende zijden genadeloos neergemitrailleerd.

Daarna werden de lichamen, sommigen nog in leven, overgoten met petroleum en in brand gestoken.

Vaak vermeld wordt het beleg van het Alcázar van de historische stad Toledo, halverwege Madrid en Sevilla. Een pro-nationalistisch regiment vestigde zich in het Alcázar Real, beschermd door zijn metersdikke muren. Onder hen waren 1100 militairen en vooral cadetten (leerlingofficieren) met vrouw en soms kinderen, maar ook 100 tot 200 linkse burgers die als gijzelaars dienden.

De gevechten met de republikeinen, die regelmatig de muren probeerden te dynamiteren, duurden twee maanden.

De verschansten waren totaal uitgehongerd toen de nationalistische legers hen in de herfst van 1936 konden ontzetten.

Ze hadden net tevoren hun laatste paard geslacht.

Op 19 juli trad de premier af en werd vervangen door Diego Martínez Barrio.

In de regering zaten alleen liberale republikeinen om vredesbesprekingen met de nationalistische opstandelingen mogelijk te maken.

Op 4 september 1936 werd Largo Caballero tot premier benoemd, waarbij ook socialisten en communisten tot de regering toetraden.

Op 30 juli stuurde Mussolini twaalf bommenwerpers en twee transportvliegtuigen naar de nationalisten.

Een maand na het begin van de staatsgreep had Franco al 48 Italiaanse en 41 Duitse militaire vliegtuigen tot zijn beschikking.

In juli en augustus werden ongeveer 10.500 soldaten overgezet van Afrika naar Sevilla en in september werden er 9700 soldaten overgevlogen door Duitse vliegtuigen.

De Duitse en Italiaanse bommenwerpers vielen de Spaanse marine aan die trouw was gebleven aan de republiek.

In oktober werd de republikeinse maritieme blokkade beëindigd door de nationalisten, zodat troepen uit Spaans-Marokko per boot naar Zuid-Spanje vervoerd konden worden.

De staatsgreep lukte dus slechts ten dele. Spaans-Marokko en een aantal steden in Noord- en Zuid-Spanje vielen in handen van de nationalisten, maar in Madrid, Barcelona en andere steden mislukte de coup door arbeidersopstanden, door gewapend anti-nationalistisch verzet van de communistische en anarchistische partijen en doordat bepaalde legereenheden de linkse regering trouw bleven.

Marineofficieren die de coup steunden werden vermoord door hun ondergeschikten.

De marine bleef trouw aan de regering maar 98% van de marine-officieren was reeds gestorven.

Een bloedige burgeroorlog brak uit tussen de republikeinen, (die werden gesteund door de Sovjet-Unie en de Comintern) en de fascisten/falangisten en monarchisten (verdeeld in carlisten en alfonsisten), onder leiding van Francisco Franco.

Nadat de generaals José Sanjurjo en Emilio Mola bij vliegtuigongelukken waren omgekomen, kreeg Franco in september 1936 de leiding van de legeropstand aangeboden.

Het gegeven dat alleen Franco's troepen de steun genoten van Hitler en Mussolini, speelde daarbij een rol.


Vooral in Catalonië was het verzet tegen de Spaans-nationalistische, als fascistisch beschouwde, coup naar de Spaanse macht sterk.

Daar waren het in de eerste plaats de anarchisten die de legeropstand neersloegen, en gelijk een anarchistische antikapitalisme revolutie doorvoerden.

Grond en productiemiddelen gingen tijdens deze Spaanse Revolutie over in handen van de kleine boeren en arbeiders, terwijl adel, Kerk en middelgrote en grote boeren en grondbezitters grote delen van hun land en boerderijen moesten verlaten en overdragen.

De anarchosyndicalisten van de CNT en hun broederorganisatie FAI - zij telden anderhalf miljoen leden - wisten de hele maatschappij enkele jaren op een vrije en gelijke wijze te laten functioneren, maar hadden ernstig te lijden onder dalende export, interne chaos, tegenwerking door de centrale republikeinse regering en repressie door de NKVD-spionnen in republikeins gebied.

Daarnaast leverden zij echter de meest besliste milities (bijvoorbeeld de 'Durrutti-colonne') in de strijd tegen de Spaanse nationalisten die onder leiding van Franco optrokken.

Als groepering met de meeste leden vochten de anarchisten een verbeten strijd op twee fronten uit: aan het front tegen de fascisten, en achter het front tegen de republikeinen (burgerij, staatssocialisten en -communisten), die de revolutie van de anarchisten wilden breken.

Tijdens de meidagen van 1937 kwam het tot grootschalige gevechten tussen enerzijds de anarchisten en de POUM en anderzijds de gezamenlijke troepen van de Spaanse regering en de stalinistische communisten.

Na de meidagen moest Caballero aftreden, omdat anders de communisten uit de ministerraad weg zouden gaan. Juan Negrín werd de nieuwe premier van republikeins Spanje.

De Volkenbond reageerde met een wapenembargo tegen Spanje, waarbij Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland en Italië de opdracht kregen de Spaanse territoriale wateren te bewaken om te zorgen dat dit embargo werd nageleefd.

Duitsland en Italië zagen hun kans echter schoon en begonnen de nationalisten te steunen, met wapens en troepen.

Duitsland stuurde het beruchte Condorlegioen, Italië stuurde duizenden soldaten en andere vrijwilligers.

De Duitse hulp moest worden terugbetaald met ijzer-, wolfraam-, antimoon- en kwikerts uit met name de Baskische regio.

Toch was het Duitsland niet te doen om een snelle nationalistische overwinning. Goebbels, Duits minister van Openbare Voorlichting en Propaganda, schreef in zijn dagboek: "De burgeroorlog in Spanje moet zo lang mogelijk duren.

Als de nationalisten winnen, heeft Duitsland een potentiële bondgenoot erbij.

Maar als de oorlog voortduurt, zal Italië erin verstrikt raken, en zal Mussolini veel krediet verliezen bij Engeland en Frankrijk.

Hij zal dan moeten terugvallen op de enige mogelijke bondgenoot die hem dan nog rest: Duitsland.

Hoe dan ook, de Führer wint." Goebbels zou gelijk krijgen. In 1937 - een jaar nadat Italië zich met vrijwillige maar staatsbezoldigde troepen in het Spaanse conflict gestort had - sloten Duitsland en Italië een bondgenootschap, waarna Italië, in tegenstelling tot in 1934, de annexatie van Oostenrijk stilzwijgend toeliet en zelfs diplomatiek steunde.

De republikeinen kregen steun van Mexico, geleid door antiklerikalen en radicaal-liberalen, en eveneens van de Sovjet-Unie van Jozef Stalin.

Stalin vaardigde op 28 augustus 1936 een decreet uit waarin alle uitvoer van oorlogsmateriaal naar Spanje werd verboden.

Nadat bleek dat Italië en Duitsland de nationalistische troepen steunden, besloot Stalin in eind september 1936 om militaire steun te verlenen aan de republiek.

De eerste specialisten en militair materieel uit de Sovjet-Unie kwamen op 4 oktober 1936 aan in Spanje.

Deze hulp diende echter wel betaald te worden met het goud uit de Spaanse staatsbank. Meer dan de helft van de Spaanse goudreserve werd naar Odessa in de Sovjet-Unie gestuurd.

De verzonden goudreserve had een geschatte waarde tussen de 400 miljoen en 700 miljoen Amerikaanse dollar en dat was meer dan de Sovjetsteun tijdens de gehele burgeroorlog aan de republikeinen.

Toen het goudtransport bekend werd, stortte de waarde van de peseta in. Tussen november en december 1936 verloor de peseta de helft van zijn waarde.

Groot-Brittannië en Frankrijk durfden hierin niet te interveniëren, uit angst voor represailles van generaal Franco en diens vijand, het republikeinse regime, wat invloed konden hebben op hun economie (zoals de mogelijkheid tot nationalisatie van de Britse belangen in de Spaanse kwikmijnen).

De Britse regering werd ook zwaar onder druk gezet door de Amerikaanse ambassadeur Joseph Kennedy om neutraal te blijven.

Vele Britten als Winston Churchill neigden naar de kant van Franco, terwijl Frankrijk onder Léon Blum de Republiek en de linkse Spaanse partijen prefereerde.

Mexico stuurde wel enige steun, terwijl de Sovjet-Unie soldaten, vliegtuigen en tanks stuurde.

De Sovjets stuurden echter ook NKVD-agenten, die zich met name tegen de anarchisten en de POUM (een trotskistisch-marxistische partij die de revolutie van de anarchisten gunstig gezind was) richtten.

Vanaf herfst 1936 begonnen de communisten de republikeinse politie en veiligheidsdiensten te infiltreren en na de reorganisatie van alle veiligheidsdiensten op 9 augustus 1937 tot de SID (de Servicio de Investigación Militar) stond deze gedurende de eerste acht maanden van haar bestaan geheel onder controle van de NKVD (onder leiding van Aleksandr Orlov).

De meest gevreesde sectie van de SID was de Speciale Brigade die de ondervragingen uitvoerde.

De SID maakte hoofdzakelijk gebruik van geheime gevangenissen die niet onderdeden in gruwelijkheden voor die in toenmalig Rusland.

De communistische partij had in het voorjaar 1936 ongeveer 38 000 leden, maar tijdens de burgeroorlog groeide het ledenaantal van de Spaanse Communistische Partij enorm.

Dankzij het monopolie op Russische militaire steun en de communistische verzet tegen de revolutie van de anarchisten steeg het ledental van de Spaanse Communistische Partij naar ongeveer 200 000 in december 1936. In maart 1937 was het ledental gegroeid tot ongeveer 300 000 leden.

In deze periode moest men lid zijn van de communistische partij om op hoge posities in het leger te komen. In sommige gebieden kregen alleen communistische gewonden medische hulp.

Wapens en munitie uit de Sovjet-Unie werden alleen gegeven aan troepen die geleid werden door communistische officieren.

De communisten waren dankzij het bezetten van administratieve sleutelfuncties binnen het republikeinse bestuur zeer succesvol geweest in het verwerven van een hoge mate van controle over de regering, de bureaucratie en het systeem van openbare orde.

Dit terwijl ze politiek gezien slechts marginaal aanwezig waren met twee kleine ministeries.

Het protest tegen de communistische macht groeide dan ook voortdurend, met name in het leger.

Ook kreeg de republikeinse regering steun van de Internationale Brigades, een mengsel van communisten, anarchisten, schrijvers, dichters en avonturiers, die en masse naar Spanje trokken om mee te vechten in de "internationale strijd tegen het fascisme" en voor de idealen van de proletarische revolutie.

Op 26 april 1937 bombardeerden Duitse en Italiaanse vliegtuigen het kleine plaatsje Guernica in Baskenland, waar zich drie dagen eerder een Baskische brigade gelegerd had die aan Republikeinse zijde vocht.

De nationalisten beweerden dat Baskische terroristen achter de verwoestingen zaten.

Later zou Hermann Göring toegeven dat hij zijn nieuwe Luftwaffe wilde uitproberen. Pablo Picasso getuigde van het Bombardement op Guernica in het meesterwerk Guernica.

De frontlinie schoof lange tijd heen en weer. Madrid werd ingesloten en belegerd, maar weerstond alle nationalistische aanvallen keer op keer.

De republikeinen behaalden overwinningen, zoals de slag bij Guadalajara, maar de nationalisten knabbelden stukje bij beetje steeds meer land van de republikeinen weg.

Ze verbonden hun noordelijke en zuidelijke deel door een corridor langs de Portugese grens te veroveren, en zetten toen een opmars naar het oosten in.


Na de burgeroorlog werden de privileges van de Katholieke Kerk hersteld.

Alle bestaande burgerlijke huwelijken werden ongeldig verklaard, waarna de burgerlijk getrouwde echtparen voor de kerk moesten trouwen om een geldig huwelijk te hebben.

Echtscheiding werd afgeschaft. Onderwijs kwam onder controle van de kerk.

De kerk besloot wat gecensureerd werd op cultureel en literair gebied.

Ook kreeg de kerk een hoge belastingvrije subsidie van het regime.

Vrouwen mochten niet buitenshuis werken met uitzondering van vrijwilligerswerk bij bepaalde organisaties.

Franco verbood daarnaast ook de openbare godsdienstuitoefening van protestanten.

Tijdens de besprekingen met de Duitsers in juli 1940 maakte Franco duidelijk dat hij de asmogendheden zou steunen in ruil voor geld, wapens en het gebied bestaande uit Marokko, Oran, de Sahara tot de twintigste breedtecirkel, en het kustgebied Guinea tot de Niger-delta.

Hitler was tegen, omdat het gebied aan de Italianen was toebedeeld.

Daarom deed Franco niet mee met de oorlogen van de asmogendheden.

Wel werden de Spaanse territoriale wateren ter beschikking gesteld aan nazi-Duitsland en Italië.

In het begin van de Tweede Wereldoorlog maakten de Duitse en Italiaanse troepen gebruik van luchtmachtbasissen en onderzeeërbasissen in Spanje.

In Cádiz en Vigo had de Duitse marine haar basissen.

Franco gaf in 1941 toestemming tot de vorming van de Blauwe divisie in de Duitse Wehrmacht, die bestond uit Spaanse vrijwilligers.

De divisie werd in 1943 teruggehaald.

Vanaf 1943 stelde Franco zichzelf neutraal op in de Tweede Wereldoorlog in plaats van de eerder verkondigde "non-belligerentie".

Sinds 1975 is de Spaanse troon weer bezet door koning Juan Carlos, de kleinzoon van Alfons XIII (Franco had aanvankelijk de staatsvorm van nationalistisch Spanje in het midden gelaten, omdat Alfons XIII voor een meerderheid van de nationalistische fracties geen optie meer was en later gekozen voor een "monarchie zonder koning"; tot Franco's dood zou de troon dan ook vacant blijven).

Belangrijk om te weten is dat Juan Carlos de eed als koning aflegde door te zweren op de wetten van de Movimiento Nacional, opvolger van de franquistische Falange, en de Bijbel.

De continuïteit tussen Franco-Spanje en het koninkrijk werd zodoende vastgelegd.

De linkse regering Zapatero heeft op 31 oktober 2007 de Wet van Historische Herinnering aangenomen, waarmee alle symbolen die verwijzen naar de dictatuur van Franco uit het straatbeeld en het openbare leven worden gebannen.

Aan het wetsvoorstel is enkele jaren gewerkt.

Hierdoor moeten lokale overheden alle verwijzingen naar Franco, die regeerde van 1939 tot 1975, verwijderen. De Spaanse regering is daarnaast van plan om de rijksarchieven uit de Franco-periode voor iedereen toegankelijk te maken.


In januari 1939 viel Barcelona en de republikeinse weerstand stortte in.

Tienduizenden mensen vluchtten de Pyreneeën over.

Binnen de eerste vijf dagen na de inname van Barcelona werden door de nationalisten al ongeveer 10 000 mensen zonder proces geëxecuteerd.

De vluchtelingen die richting de Franse grens vluchten, werden beschoten door de Duitse luchtmacht.

Na de inname van Barcelona probeerden de nationalisten alle boeken te verbranden die door de katholieke kerk verboden waren. De nationalistische regering verbood het communiceren in de Catalaanse taal.

Op 27 februari 1939 erkenden Frankrijk en Groot-Brittannië het Franco-regime als de wettelijke regering van Spanje.

Er kwam steeds meer steun in de republikeinse zone om direct vrede te sluiten met de nationalisten, nadat Catalonië was veroverd door de nationalisten.

Franco eiste een volledige overgave van de republikeinen, wat werd afgewezen door Negrín.

Kolonel Segismundo Casado begon een staatsgreep te organiseren tegen de republikeinse regering van Negrín, want Casado geloofde dat hijzelf een betere onderhandelingspositie kon zorgen als de communisten uit de regering en de militaire leiding werden gezet.

Casado maakte een verbond met UGT-leden, CNT-leden, socialisten en liberalen. Casado werd ook gesteund door een aantal legeronderdelen die uit opportunistische redenen waren aangesloten bij de communistische partij.

De groep rond Casado was woedend over de vervolgingen van liberalen, anarchisten en socialisten door de communisten.

Zij verdachten de communistische leiders ervan om te pleiten voor voortzetting van de oorlog, terwijl de communisten in het geheim plannen aan het beramen waren om zelf weg te vluchten uit Spanje.

Zij waren bang dat de communisten hun eigen vlucht regelden en die van hun tegenstanders zouden tegenhouden.

De anarchist Cipriano Mera, generaal José Miaja en socialistische professor Julian Besteiro werden lid van de Verdedigingsraad onder leiding van Casado.

De Verdedigingsraad nam contact op met Franco voor vredesonderhandelingen.

Op 6 maart 1939 om middernacht spraken de republikeinse coupplegers via de radio de bevolking toe dat zij een staatsgreep waren begonnen tegen Negrín.

De troepen van Casado gingen verschillende gebouwen in Madrid bezetten.

Een aantal communistische legereenheden loyaal aan Negrín vielen op 7 maart het centrum van Madrid binnen.

De communisten belegerden de gebouwen waarin de coupplegers zaten.

De anarchisten onder leiding van Mera vielen de communisten aan.

Op 9 en 10 maart wisten de troepen van Casado de communisten van bepaalde pleinen en ministeries te verdrijven. Op 11 maart begonnen er gesprekken tussen de twee strijdende republikeinse kampen.

Op 12 maart gaven de communisten hun strijd op.

De gevechten tussen de twee groepen republikeinen hadden ongeveer 2000 doden tot gevolg.

Bij de onderhandelingen tussen Casado en Franco werd afgesproken dat het republikeinse leger zou capituleren op 25 maart.

Franco gaf de toezegging dat de republikeinen die wilden vluchten een paar dagen de tijd kregen om het land te ontvluchten.

Op 26 maart begon Franco de mars naar Madrid.

Franco beweerde dat de republikeinen zich niet aan de afspraken hielden, zodat volgens hem alle afspraken vervielen, inclusief het recht op vertrek naar het buitenland.


Eind maart werd Madrid binnengetrokken en in april 1939 claimden de nationalisten de overwinning.

Na de nationalistische overwinning schreef paus Pius XII aan Franco: “Wij verheffen ons hart tot God en danken uwe excellentie oprecht voor de overwinning van katholiek Spanje.”

De Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken – en tevens de schoonzoon van Mussolini – Galeazzo Ciano noemde de inname van Madrid door Franco “een formidabele overwinning voor het fascisme en wellicht de grootste tot dusver.”

Grote zuiveringen volgden; duizenden mannen die in de Republikeinse legers hadden gevochten, werden in de daaropvolgende jaren geëxecuteerd.

Vanaf 1939 tot 1975 was Spanje een dictatuur onder Franco.

Voor Duitsland (en Italië in mindere mate) was deze oorlog een testgebied voor de latere Tweede Wereldoorlog.

Tijdens de opmars van de nationalisten door Aragon in de lente van 1938 werden een aantal dorpen en steden gebombardeerd door het Condorlegioen, waarna er foto’s werden gemaakt door Duitse officieren om de schade en de bompatronen vast te stellen ter verbetering van het bombarderen van dorpen en steden.


De historicus Antony Beevor schatte dat het aantal dodelijke slachtoffers van Franco na de burgeroorlog boven de 200 000.

In Franco-Spanje werden er ongeveer 190 gevangenkampen opgezet, waartussen 367 000 en een half miljoen gevangenen waren geïnterneerd.

Volgens de officiële cijfers van het nationalistische regime waren er 270 719 politieke gevangenen in het begin van 1940.

In 1941 werden 12 043 kinderen bij hun republikeinse ouders weggehaald en gegeven aan weeshuizen, katholieke instituten en nationalistische echtparen.

Uitgelichte berichten
Recente berichten
Archief
Zoeken op tags
Volg ons
  • Facebook Basic Square
  • Twitter Basic Square
  • Google+ Basic Square
bottom of page